Uitspraak
advocaat te [vestigingsplaats].
De beslissing van de kantonrechter
Beoordeling
Op grond van de doorzendplicht van art. 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had het CJIB deze brief volgens de gemachtigde moeten doorsturen aan de CVOM, zijnde het bevoegde bestuursorgaan.
d.d. 27 juni 2013 overgelegd, waarin de ontvangst van de brief van de gemachtigde van
20 juni 2013 wordt bevestigd.
20 juni 2013 aan het CJIB als een beroepschrift tegen de inleidende beschikking kan worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak van het hof kan een geschrift slechts als een beroepschrift worden beschouwd indien daaruit blijkt van de wil, althans de kennelijke bedoeling van de betrokkene om hogere voorziening te vragen van een beschikking of beslissing.
27 juni 2013, uiterlijk op 27 juni 2013 door het CJIB zijn ontvangen. In het dossier bevindt zich niet de envelop waarin het beroepschrift is verzonden, zodat niet aan de hand van het poststempel kan worden nagegaan of het beroepschrift binnen de beroepstermijn ter post is bezorgd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dit binnen de beroepstermijn is gebeurd. Dit brengt mee dat het beroepschrift, dat niet later dan een week na afloop van de beroepstermijn is ontvangen, tijdig is ingediend.
De betrokkene, die een autobedrijf exploiteerde, werd op 12 februari 2013 failliet verklaard. De curator trof een groot aantal auto’s aan. Alle voertuigen vielen onder de verzekering van de bedrijfsvoorraad, behalve het onderhavige voertuig, dat als leenauto diende. De betrokkene was onbevoegd om ten aanzien van het voertuig een verzekering af te sluiten; die bevoegdheid berustte bij de curator. De curator heeft ervoor gekozen geen verzekering af te sluiten. Dit zou immers kosten met zich meebrengen die ten laste zouden komen van de schuldeisers. Bovendien stond het voertuig op een afgesloten terrein en nam het geen deel aan het verkeer. Het voertuig is door de curator geliquideerd op 19 maart 2013, de dag van de gedraging. Op 8 april 2013 is het voertuig overgeschreven bij de RDW. Het faillissement is inmiddels opgeheven wegens gebrek aan baten. In de naar voren gebrachte omstandigheden had de officier van justitie aanleiding moeten zien voor een nihilstelling of in ieder geval een aanzienlijke verlaging van het sanctiebedrag, zo betoogt de gemachtigde.