ECLI:NL:GHARL:2016:6175
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na verduistering
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland inzake verduistering door de veroordeelde. De veroordeelde was reeds veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Tijdens de terechtzitting werd vastgesteld dat de veroordeelde een bedrag van €129.052,45 had verduisterd van zijn werkgever.
De advocaat-generaal vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €107.113,31. Het hof nam kennis van de civiele procedure waarin de werkgever een vordering van €540.028,45 had toegewezen gekregen, welke onherroepelijk is omdat de veroordeelde hiertegen niet in beroep is gegaan.
Gezien de omvang van de civiele vordering, die een veelvoud is van het verduisterde bedrag, en op grond van artikel 36e, lid 8, van het Wetboek van Strafrecht, oordeelde het hof dat de strafrechtelijke ontnemingsvordering moet worden afgewezen. Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en deed opnieuw recht door de vordering tot ontneming af te wijzen.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens een onherroepelijke en hogere civiele vordering.