ECLI:NL:GHARL:2016:5196
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid klager in beklag tegen vervolging wegens verkeersovertreding
Op 31 mei 2014 vond een verkeersongeval plaats te IJsselstein waarbij de zoon van klager is overleden. De officier van justitie heeft beklaagde gedagvaard voor overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994. Klager diende een klaagschrift in tegen deze vervolging, stellende dat vervolging had moeten plaatsvinden wegens overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994.
Het hof nam kennis van diverse stukken waaronder het ambtsbericht en de notitie van de zaaksofficier. Uit het proces-verbaal bleek dat het onderzoek op de terechtzitting van 25 maart 2015 voor onbepaalde tijd is geschorst. Het hof oordeelde dat klager als rechtstreeks belanghebbende ontvankelijk is, maar dat het beklag niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de terechtzitting reeds is aangevangen en er dus geen sprake meer is van niet-vervolging.
De bevoegdheid van het hof om de beslissing van de officier van justitie te toetsen eindigt bij aanvang van de terechtzitting. Intrekking van de dagvaarding was niet meer mogelijk. Het hof benadrukte het leed van klager en de vertraging in de procedure, maar verwacht dat het openbaar ministerie de vervolging voortvarend zal voortzetten. Daarom werd het beklag niet-ontvankelijk verklaard en is een verhoor van betrokkenen achterwege gebleven.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag tegen de vervolging van beklaagde wegens overtreding van de Wegenverkeerswet.