ECLI:NL:GHARL:2016:4314

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 mei 2016
Publicatiedatum
1 juni 2016
Zaaknummer
000669-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 SvArt. 67a SvArt. 67b Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing voorlopige hechtenis wegens onrechtmatige gevangenneming en overschrijding redelijke termijn

Verdachte was aanvankelijk in voorlopige hechtenis gesteld op 22 oktober 2015 voor meerdere autodiefstallen. Op 19 januari 2016 werd een nieuwe gevangenneming bevolen voor een andere verdenking van brandstichting, terwijl verdachte zich nog in voorlopige hechtenis bevond.

Het hof oordeelt dat op grond van artikel 65 Wetboek Pro van Strafvordering een nieuwe gevangenneming niet kan worden bevolen zolang de verdachte al in voorlopige hechtenis is. Daarom is de gevangenneming van 19 januari 2016 onrechtmatig en dient de daarop gebaseerde voorlopige hechtenis te worden opgeheven.

Daarnaast constateert het hof dat de voorlopige hechtenis op basis van het bevel van 22 oktober 2015 ook moet worden opgeheven omdat de hechtenis langer duurt dan de uiteindelijke straf of maatregel, zoals bedoeld in artikel 67a, derde lid, Wetboek van Strafvordering. De officier van justitie had bovendien een vordering ex artikel 67b moeten indienen om de verdenking van brandstichting onder het bestaande bevel te brengen.

Het hof heft daarom de voorlopige hechtenis op zowel op basis van het bevel van 19 januari 2016 als dat van 22 oktober 2015.

Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven wegens onrechtmatige gevangenneming en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Raadkamernummer: 0669-16
Parketnummer eerste aanleg: 18-930258-15
2 mei 2016

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

LOCATIE LEEUWARDEN

Voorlopige hechtenis

Blijkens de akte van de griffier van de rechtbank Noord-Nederland van 13 april 2016 is namens:

[verdachte] ,

geboren op te [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de P.I. Almelo,
hoger beroep ingesteld van de beslissing van voormelde rechtbank d.d. 12 april 2016, waarbij het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte werd afgewezen.
Het hof heeft gezien de beslissing, waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal, de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C. van Oort,
advocaat te Amersfoort.

Overwegingen

Uit de stukken van het dossier blijkt - voor zover hier van belang - het volgende.
Op 22 oktober 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland de gevangenhouding van verdachte bevolen voor een termijn van 90 dagen voor de verdenking van, kortgezegd, het in vereniging plegen van meerdere autodiefstallen. Het onderzoek ter terechtzitting is op 19 januari 2016 aangevangen. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de gevangenneming van verdachte zal gelasten ten aanzien van de verdenking van, kortgezegd, brandstichting (ook wel aangeduid als de 'camperzaak' en bekend onder parketnummer 18.930348-15). Deze vordering tot gevangenneming is door de rechtbank toegewezen.
Uit het voorgaande blijkt dat de voorlopige hechtenis van verdachte enerzijds is gebaseerd op de gevangenneming, zoals bevolen op 19 januari 2016, en anderzijds op het bevel gevangenhouding d.d. 22 oktober 2015.
Gelet op de systematiek van artikel 65 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan de gevangenneming slechts worden bevolen indien de verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevindt. Nu verdachte zich ten tijde van de vordering tot gevangenneming in voorlopige hechtenis bevond, is het hof van oordeel dat de gevangenneming van verdachte op 19 januari 2016 ten onrechte is bevolen. Voor zover de voorlopige hechtenis daarop is gebaseerd, dient die te worden opgeheven.
De voorlopige hechtenis van verdachte is derhalve enkel nog gebaseerd op het op 22 oktober 2015 afgegeven bevel tot gevangenhouding. Met betrekking tot die verdenking is het hof van oordeel dat zich de situatie als omschreven in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering voordoet, namelijk dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte bij het voortduren van de voorlopige hechtenis langere tijd van zijn vrijheid beroofd zal blijven dan de uiteindelijke duur van de straf of maatregel.
Gelet hierop moet de voorlopige hechtenis, voor zover die op dit bevel is gebaseerd, ook worden opgeheven.
Het hof overweegt ten overvloede dat de officier van justitie, in de zich hier voordoende situatie, alvorens de dagvaarding in eerste aanleg te betekenen, bij de raadkamer van de rechtbank een vordering ex artikel 67b van het Wetboek van Strafvordering had moeten indienen teneinde het feit, bekend onder parketnummer 18.930348-15 onder het op 22 oktober 2015 afgegeven bevel tot gevangenhouding te doen brengen.

Beslissing

Het gerechtshof,
beschikkende in hoger beroep:
heft op de voorlopige hechtenis, gebaseerd op het bevel gevangenneming van 19 januari 2016;
heft op de voorlopige hechtenis, gebaseerd op het bevel gevangenhouding van 22 oktober 2015.
Aldus gewezen op 2 mei 2016 door mr. J.J. Beswerda als voorzitter, mrs. W.M. van Schuijlenburg en H.M. Poelman, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Samplonius als griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier voornoemd.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
Leeuwarden,
de advocaat-generaal,