Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekers in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van ouders tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van hun drieling, die sinds 2013 in een pleeggezin verblijven. De kinderen zijn kort na de geboorte onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over de opvoedingscapaciteiten van de ouders.
De ouders voerden aan dat de situatie verbeterd zou zijn, onder meer door het afronden van een hulpverleningstraject bij de GGZ en hun bereidheid tot openheid hierover. Het hof oordeelde echter dat onvoldoende concrete informatie was verstrekt om het eerdere oordeel te herzien. Ook de stellingen over de communicatie met de GI en de GGZ werden niet overtuigend bevonden.
Het hof benadrukte dat de omgang tussen ouders en kinderen moeizaam verloopt en dat de kinderen onder begeleiding slechts beperkte bezoekmomenten hebben. De continuïteit en veiligheid van de verzorging en opvoeding van de kinderen zijn volgens het hof niet gewaarborgd zonder verlenging van de uithuisplaatsing.
Het hof bekrachtigde daarom de beschikking tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot uiterlijk 29 oktober 2016. Tevens adviseerde het hof om op korte termijn een onderzoek te starten naar een verderstrekkende maatregel, zoals beëindiging van het ouderlijk gezag, gezien het ontbreken van perspectief op terugkeer van de kinderen naar de ouders.
Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de drieling wordt bekrachtigd tot 29 oktober 2016.