Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
wonende te [A] ,
verzoekster,
verder te noemen: de moeder,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind, geboren in 2011. De kinderrechter had de machtiging verlengd tot uiterlijk 16 oktober 2016 vanwege zorgen over de opvoedingssituatie en het welzijn van het kind.
Het hof heeft vastgesteld dat diverse interventies, waaronder een Eigen Kracht Conferentie en intensieve hulpverlening zoals 'Tien voor Toekomst', niet hebben geleid tot verbetering in de thuissituatie. De moeder kwam afspraken vaak niet na en toonde onvoldoende leerbaarheid. Ook een gezinsopname bij een GGZ-instelling werd besproken maar door de moeder afgewezen. Na een periode van begeleid wonen bij een stichting met als doel terugplaatsing, hield de moeder zich niet aan de voorwaarden, wat leidde tot beëindiging van die voorziening.
Het hof constateert dat de moeder en haar partner gekozen hebben voor een minder intensieve ambulante begeleiding, waarbij de moeder niet heeft kunnen aantonen dat haar situatie voldoende is verbeterd. Het kind vertoont hechtingsproblemen en zit klem in loyaliteiten tussen moeder en pleeggezin. Het belang van het kind bij duidelijkheid, continuïteit en stabiliteit in haar opvoedsituatie weegt zwaarder dan het belang van de moeder bij terugplaatsing.
Daarom concludeert het hof dat de gronden voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn en dat nader onderzoek niet nodig is. Het hoger beroep van de moeder wordt verworpen en de beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en wijst het hoger beroep van de moeder af.