Uitspraak
zaaknummer 200.180.541/01van
zaaknummer 200.180.544/01van
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak betreffende personen- en familierecht heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 februari 2016 uitspraak gedaan over twee samenhangende zaken. De moeder was in hoger beroep gekomen tegen beschikkingen van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind verlengden, en tegen de overdracht van de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan een andere gecertificeerde instelling (GI).
Het hof verwijst naar de eerdere beschikking van de kinderrechter en constateert dat de moeder akkoord is met de verlenging van de ondertoezichtstelling, zodat deze wordt bekrachtigd. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt eveneens verlengd tot 18 februari 2016, omdat de zorginstelling LJ&R nog onderzoek moet doen naar de mogelijkheden van terugplaatsing bij de ouders. De moeder heeft haar medewerking aan het onderzoek vertraagd, wat het hof zorgelijk acht.
Ten aanzien van het hoger beroep tegen de vervanging van de GI oordeelt het hof dat op grond van artikel 807 Rv Pro tegen een beschikking op grond van artikel 1:259 BW Pro geen hoger beroep mogelijk is, tenzij sprake is van doorbrekingsgronden. De door de moeder aangevoerde gronden worden niet als zodanig erkend, zodat zij niet-ontvankelijk wordt verklaard. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing en verklaart het hoger beroep tegen vervanging van de gecertificeerde instelling niet-ontvankelijk.