ECLI:NL:GHARL:2016:1250

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 februari 2016
Publicatiedatum
18 februari 2016
Zaaknummer
200.162.016
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over vervangende toestemming geslachtsnaamwijziging minderjarige

In deze zaak verzocht de moeder om vervangende toestemming voor de geslachtsnaamwijziging van haar minderjarige kind, omdat de vader niet instemde met de naamswijziging. Het hof heeft het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ingewonnen, die een loyaliteitsconflict bij het kind constateerde en adviseerde de toestemming te verlenen.

De Raad stelde dat het kind door de negatieve houding van de moeder tegenover de vader een negatief beeld van hem heeft en dat het kind hierdoor niet de ruimte kreeg om een eigen relatie met de vader op te bouwen. Het kind ontkent het bestaan van haar vader en wil diens naam niet dragen, wat volgens de raad een tijdelijke ontkenning is die mogelijk in de toekomst kan veranderen.

Het hof oordeelde echter dat een naamswijziging een zware emotionele beslissing is die het kind gezien haar leeftijd en situatie nog niet kan overzien. Het kind heeft geen contact met de vader en heeft daardoor geen afgewogen mening kunnen vormen. De wens tot naamswijziging lijkt vooral ingegeven door de strijd van de moeder met de vader, wat het kind gebruikt om de vader uit haar leven te bannen.

Het hof vond dat het ontkennen van de vader en het verliezen van een deel van de identiteit niet in het belang van het kind is. Het hof benadrukte dat het belangrijk is dat de moeder haar boosheid jegens de vader verwerkt om rust te brengen voor het kind. De beschikking van de rechtbank die de vervangende toestemming weigerde, werd door het hof bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de weigering van vervangende toestemming voor geslachtsnaamwijziging omdat dit niet in het belang van het kind is.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, familie
zaaknummer gerechtshof 200.162.016
(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 271269)
beschikking van 18 februari 2016
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.G.W.M. Geurts te Duiven,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot 21 juli 2015 verwijst het hof naar de op die datum gegeven tussenbeschikking
1.2
Ter griffie van het hof is daarna binnengekomen een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) van 26 oktober 2015 met als bijlage een rapport van 23 oktober 2015. In aansluiting hierop heeft de raad bij zijn brief van 26 oktober 2015 de reactie van de vader op het raadsrapport aan het hof gestuurd.
1.3
Op 22 januari 2016 is de mondelinge behandeling voortgezet. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De vader is in persoon verschenen.
Namens de raad is mevrouw […] verschenen.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 21 juli 2015 voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die tussenbeschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over het belang van [het kind] met betrekking tot het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor de ontbrekende instemming van de vader voor geslachtsnaamwijziging, zodat de moeder namens [het kind] zelfstandig het verzoekschrift tot geslachtsnaamwijziging van [het kind] kan indienen bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
2.3
De raad heeft onderzoek gedaan en hiervan verslag gedaan en vervolgens advies gegeven in zijn rapport van 23 oktober 2015.
2.4
Aan het hof ligt thans voor of aan de moeder op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) vervangende toestemming dient te worden verleend voor het namens [het kind] indienen van een verzoekschrift om de huidige geslachtsnaam van [het kind], die van de vader, zijnde '[geslachtsnaam vader]', te wijzigen in die van de moeder, zijnde '[geslachtsnaam moeder]'. Het toetsingskader voor de beantwoording van die vraag heeft het hof reeds geschetst in rechtsoverweging 5.3 van de hiervoor genoemde tussenbeschikking.
2.5
De raad concludeert in zijn onderzoek dat [het kind] in een ernstig loyaliteitsconflict zit jegens haar vader. [het kind] heeft haar beeld van haar vader vooral moeten baseren op de verhalen en houding van de moeder die haar verwijten en boosheid jegens de vader nog niet heeft verwerkt. [het kind]'s houding ten opzichte van de vader, en alles wat met hem te maken heeft, is negatief, bozig en zeer beladen. Zij kan op dit moment niet anders dan aan deze houding met bijbehorend gevoel vasthouden. Contacten met de vader, waardoor zij haar beeld van hem heeft kunnen neutraliseren of heeft kunnen ervaren dat er ook positieve belevingen met hem mogelijk zijn, zijn er tot op heden niet geweest. Hulpverlening, ook binnen de ondertoezichtstelling, heeft er niet toe geleid dat de visie van de moeder ten opzichte van de vader is veranderd en heeft haar evenmin inzicht kunnen geven in de gevolgen daarvan voor [het kind]. Volgens de raad heeft [het kind] van haar moeder niet de ruimte gekregen om haar vader een rol in haar leven te geven en zij zal deze ruimte, gezien de houding van de moeder jegens de vader, op korte termijn ook niet krijgen.
2.6
De raad komt in het onderzoek tot de conclusie dat er gekozen moet worden uit twee kwaden. Onder de huidige omstandigheden zal [het kind] bij het niet verlenen van vervangende toestemming en dientengevolge het handhaven van de geslachtsnaam van de vader, waarschijnlijk volharden in haar standpunt. Haar boosheid en negatieve beeld van de vader zal toenemen en dat zal de eventuele mogelijkheden voor toenadering in de toekomst negatief kunnen beïnvloeden. Het verlenen van vervangende toestemming en dientengevolge de wijziging van haar geslachtsnaam daarentegen zal de verbinding verbreken die door de gelijke naamsvoering van [het kind] met haar vader nog bestaat. De raad beschouwt deze band echter niet als een laatste verbinding. De loyaliteit tussen [het kind] en haar vader, die is ontstaan door haar geboorte, is een band die onomkeerbaar is en niet kan worden verbroken maar enkel kan worden ontkend. [het kind] ontkent het bestaan van vader en deze band, en zij kan ook niet anders op dit moment, aldus de raad. Mogelijk komt er echter een moment dat [het kind] de strijd van de moeder naar de vader los kan zien van haar eigen gevecht in loyaliteitsgevoelens, waardoor zij ruimte gaat ervaren voor loyaliteitsgevoelens en nieuwsgierigheid naar haar vader.
2.7
Alles afwegende komt de raad tot het advies om de moeder de door haar verzochte vervangende toestemming te verlenen - voor de ontbrekende instemming van de vader - zodat de moeder namens [het kind] zelfstandig een verzoek kan indienen tot geslachtsnaamwijziging van [het kind].
2.8
De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij het eens is met het deugdelijk onderbouwde advies van de raad. Zij acht toewijzing van het verzoek in het belang van [het kind] en zij is van mening dat dit belang in dit geval de doorslag dient te geven.
2.9
De vader heeft ter zitting gesteld dat de huidige wens van [het kind] om de geslachtsnaam van haar moeder te krijgen niet haar eigen keuze is, maar is ingegeven door de moeder en haar houding jegens hem.
2.1
De raadsmedewerker heeft ter zitting verklaard dat [het kind] de boosheid van haar moeder tegenover haar vader voelt en dat zij daardoor voelt dat zij niet van haar vader mag houden. Voor haar is het dragen van zijn geslachtsnaam dan ook confronterend en is haar wens om die naam te wijzigen invoelbaar.
2.11
Het hof heeft, gegeven het door de raad geschetste loyaliteitsconflict, begrip voor de uitdrukkelijk geuite wens van [het kind] om haar geslachtsnaam gewijzigd te zien. Het hof is echter - anders dan de raad - van oordeel dat deze wijziging thans niet in haar belang is. Een wijziging van geslachtsnaam is een zwaarwegende beslissing met een emotionele lading. [het kind] kan, gezien haar leeftijd en de levensfase waarin zij verkeert, naar het oordeel van het hof op dit moment de consequenties van een dergelijke wijziging nog onvoldoende overzien. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat [het kind] geen contact heeft met haar vader en mede daardoor geen eigen beeld heeft van hem, zodat zij niet tot een afgewogen mening heeft kunnen komen. [het kind] heeft aan de medewerker(s) van de raad noch in haar gesprek met de raadsheer-commissaris haar redenen kunnen aangeven voor de door haar gewenste geslachtsnaamwijziging anders dan dat zij zich een '[geslachtsnaam moeder]' en niet een '[geslachtsnaam vader]’ voelt en dat zij zich voor haar huidige achternaam schaamt. Concreet heeft zij daartoe slechts een recent voorval kunnen noemen dat zich heeft voorgedaan op school omdat de vader aan de school een brief had geschreven. Ook de moeder heeft ter zitting onvoldoende duidelijkheid kunnen geven over de redenen en de achtergrond van de wens van [het kind] om niet de geslachtsnaam van haar vader maar (ook juridisch vastgelegd) die van haar moeder te dragen. Het lijkt er op dat de wijziging van haar geslachtsnaam voor [het kind] een veel diepere betekenis heeft dan alleen de wens om de geslachtsnaam van de moeder te dragen, in die zin dat zij daarmee haar vader volledig uit haar leven wil bannen en zijn bestaan als haar vader wil ontkennen. Ook in het raadsrapport komt naar voren dat [het kind], voornamelijk als gevolg van de houding van de moeder, een strijd met haar biologische afkomst voert. Met de gewenste geslachtsnaamwijziging wil [het kind] haar vader uit haar leven laten verdwijnen en daarmee ontkent en verliest [het kind] een deel van haar identiteit. Het hof acht dit niet in haar belang.
2.12
Het vorenstaande laat onverlet dat het hof onderkent dat het in het belang van [het kind] is dat er rust komt. Naar het oordeel van het hof ligt het primair op de weg van de moeder zich open te stellen voor hulp om haar boosheid en wrok jegens de vader eindelijk een plek te leren geven, zowel voor zichzelf als voor [het kind].

3.De slotsom

De grieven falen. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 8 december 2014.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, R. Krijger en J.P. Balkema, en is op 18 februari 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.