Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De rechthebbende was sinds maart 2014 onder bewind gesteld wegens verkwisting of problematische schulden. Zij verzocht in oktober 2015 om opheffing van het bewind, maar de kantonrechter wees dit verzoek af. In hoger beroep stelde de rechthebbende dat de noodzaak van het bewind niet meer bestond.
Het hof stelde vast dat de rechthebbende onvoldoende inzicht gaf in de oorspronkelijke reden voor het bewind en dat zij nog steeds schulden heeft zonder concreet financieel plan. Haar verklaringen over haar financiële situatie en toekomstperspectief waren onvoldoende onderbouwd. De bewindvoerder adviseerde een andere bewindvoerder te benoemen vanwege een verstoorde relatie, maar het hof vond dit verzoek in hoger beroep niet ontvankelijk en onvoldoende gemotiveerd.
Het hof concludeerde dat de onderbewindstelling nog steeds noodzakelijk is en dat de bewindvoerder haar taak adequaat uitvoert. De grieven van de rechthebbende faalden en de beschikking van de kantonrechter werd bekrachtigd, waarmee het verzoek tot opheffing van het bewind werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af.