Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2016:10168

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2016
Publicatiedatum
15 december 2016
Zaaknummer
21-002022-16
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vernietigd wegens niet-naleving oproepvereisten en terugverwijzing naar rechtbank

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 2 december 2016 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 1 april 2016 vernietigd. Het hoger beroep was ingesteld door verdachte tegen dit vonnis. Het hof oordeelde dat de dagvaarding niet voldeed aan haar oproepfunctie omdat essentiële gegevens zoals locatie, datum en tijd ontbraken in de vertaalde dagvaarding die aan verdachte was betekend.

Daarnaast was onduidelijk of verdachte een juiste vertaling van de dagvaarding had ontvangen, terwijl het adres van verdachte in Roemenië bekend was. Hierdoor was het aanwezigheidsrecht van verdachte niet gewaarborgd en had de politierechter de zaak in eerste aanleg moeten aanhouden. Het hof stelde vast dat het niet aanhouden van de zaak in strijd was met artikel 6 EVRM Pro.

Als gevolg hiervan vernietigde het hof het vonnis en verwees de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland om op de bestaande dagvaarding opnieuw te worden berecht. Zowel de advocaat-generaal als de raadsman van verdachte stemden in met deze procedure.

Deze uitspraak benadrukt het belang van een correcte dagvaarding en waarborging van het aanwezigheidsrecht, vooral bij buitenlandse verdachten, en bevestigt dat een nietige dagvaarding leidt tot vernietiging en terugverwijzing.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe berechting op de bestaande dagvaarding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002022-16
Uitspraak d.d.: 2 december 2016
TEGENSPRAAK
Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 1 april 2016 met parketnummer 16-026373-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( Roemenië ) op [1979] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier ter lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 december 2016 en – overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering – het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en opnieuw rechtdoende de dagvaarding in eerste aanleg nietig wordt verklaard. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. P.D. Popescu, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich bij preliminair verweer op het standpunt gesteld dat de dagvaarding in hoger beroep nietig dient te worden verklaard, omdat de dagvaarding tekortschiet in haar oproepfunctie nu de locatie, datum en plaats van de behandeling van de strafzaak tegen verdachte niet zijn ingevuld (in de vertaling van de dagvaarding in de Roemeense taal). Het is de raadsman onduidelijk of verdachte ondubbelzinnig afstand heeft willen doen van zijn aanwezigheidsrecht.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de zaak dient te worden teruggewezen naar de rechtbank, teneinde opnieuw recht te doen, nu de gang van zaken in eerste aanleg in strijd is met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daartoe heeft de raadsman betoogd dat het adres van verdachte in Roemenië bekend was bij de rechterlijke instantie, er niet gebleken is dat een vertaling aan hem is uitgereikt dan wel naar zijn adres in Roemenië is gestuurd en in eerste aanleg om die reden is verzocht om aanhouding van de zaak, en dat derhalve de politierechter de zaak destijds had moeten aanhouden, teneinde een vertaling van de dagvaarding inclusief een vertaalde oproeping te versturen naar het adres in Roemenië om het aanwezigheidsrecht te waarborgen, hetgeen niet is gebeurd.
Oordeel van het hof
Het hof constateert dat de dagvaarding
in hoger beroepniet voldoet aan haar oproepfunctie nu de variabelen zoals locatie, tijd en plaats niet zijn ingevuld (in een voor verdachte begrijpelijke taal).
Voorts constateert het hof dat de dagvaarding
in eerste aanlegop een juiste wijze is betekend, maar dat alleen op basis van de stukken in het dossier niet vast te stellen is of eveneens een juiste vertaling van de dagvaarding is uitgereikt aan verdachte dan wel aan het adres van verdachte in Roemenië een volledig vertaalde dagvaarding is toegezonden. Om die reden had de politierechter in eerste aanleg niet mogen overgaan tot een inhoudelijk onderzoek van de zaak en had de zaak moeten worden aangehouden, teneinde een volledig vertaalde dagvaarding met een nieuwe oproeping aan verdachte uit te reiken op het adres van verdachte in Roemenië .
Het hof zal het vonnis van de politierechter zodoende vernietigen en opnieuw rechtdoende de zaak terugwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland, teneinde de zaak af te doen op de bestaande dagvaarding. Gelet op deze beslissing ontvalt daarmee het belang van verdachte de zaak aan te houden teneinde verdachte alsnog op een rechtsgeldige wijze te dagvaarden in hoger beroep. De advocaat-generaal en de raadsman van verdachte hebben met deze gang van zaken ingestemd.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep :
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland ter zake van het ten laste gelegde, teneinde de zaak op de bestaande dagvaarding opnieuw te berechten en af te doen.
Aldus gewezen door
mr. H. Abbink, voorzitter,
mr. J.D. den Hartog en mr. Y.A.J.M. van Kuijck, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier,
en op 2 december 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.