In deze civiele zaak vordert appellant, mede-erfgenaam, van geïntimeerde, tevens executeur van de nalatenschap, afgifte van bankafschriften van de betaalrekening van de erflater over de periode van 12 december 2000 tot 1 mei 2007. Appellant stelt dat geïntimeerde onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij recht heeft op inzage om zijn vordering te onderbouwen.
Geïntimeerde voert verweer dat de vordering te laat is ingediend, leidt tot vertraging, overbodig is omdat banken oudere afschriften niet meer kunnen leveren, en dat zij de gevraagde stukken niet onder haar berusting heeft. Het hof oordeelt dat appellant rechtmatig belang heeft en dat geïntimeerde als executeur verplicht is de afschriften te verkrijgen en te verstrekken, of anders bewijs te leveren dat dit niet mogelijk is.
Het hof wijst de vordering toe zonder dwangsom, omdat niet is gebleken dat geïntimeerde niet vrijwillig zal voldoen. De hoofdzaak wordt verwezen voor verdere behandeling en de beslissing in het incident wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.