ECLI:NL:GHARL:2015:9686

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2015
Publicatiedatum
17 december 2015
Zaaknummer
21-007009-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvArt. 453 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep na intrekking door verdachte

De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de politierechter van 4 december 2013. Op 31 juli 2015 werd het hoger beroep aangevangen door uitroeping van de zaak, waarna het onderzoek voor onbepaalde tijd werd geschorst. Op 9 december 2015 trok de verdachte het hoger beroep in, maar dit was na aanvang van de behandeling, waardoor intrekking niet meer mogelijk was volgens artikel 453 Sv Pro.

Het hof paste artikel 416, tweede lid, Sv toe en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, omdat de verdachte zijn bezwaren niet wenste te handhaven en het hof geen reden zag tot inhoudelijke behandeling. De eis van de advocaat-generaal tot een zwaardere straf vormde geen aanleiding voor ambtshalve beoordeling.

Het arrest werd op 18 december 2015 uitgesproken door de economische kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij het hoger beroep werd afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Uitkomst: Verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep na intrekking na aanvang van de zitting.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-007009-14
Uitspraak d.d.: 18 december 2015

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 4 december 2013 met parketnummer 18-650811-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 december 2015.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling ter zake van het ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, een geldboete van € 500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis, en verbeurdverklaring van de in beslag genomen hond. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Namens verdachte is op 28 november 2014 hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Op 31 juli 2015 is het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aangevangen door de uitroeping van de zaak ter terechtzitting. Vervolgens is het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst. Bij akte intrekking rechtsmiddel van 9 december 2015, derhalve voorafgaande aan de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 10 december 2015, heeft de verdachte te kennen gegeven dat hij het op 28 november 2014 ingestelde hoger beroep wil intrekken.
Ingevolge artikel 453, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kon de verdachte het hoger beroep uiterlijk tot de aanvang van de behandeling hiervan intrekken. Dit betekent dat intrekking op 9 december 2015 niet meer mogelijk was. Het hof ziet in deze zaak evenwel aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu gebleken is dat de verdachte zijn ingebrachte bezwaren tegen het hierboven genoemde vonnis niet wenst te handhaven en het hof geen redenen ziet om de zaak inhoudelijk te behandelen. De enkele omstandigheid dat de advocaat-generaal een hogere straf wil vorderen dan de eerste rechter heeft opgelegd, acht het hof, in aanmerking genomen dat de officier van justitie geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zelf hoger beroep in te stellen, in dit geval geen reden om de zaak ambtshalve te beoordelen. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. O. Anjewierden, voorzitter,
mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. E. de Witt, raadsheren,
in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,
en op 18 december 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.