Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2015:9451

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 december 2015
Publicatiedatum
11 december 2015
Zaaknummer
21-006706-15
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. De zaak betreft de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte uit een hennepkwekerij.

De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van bijna €394.149, maar tijdens de zitting werd dit bijgesteld naar €40.000. Het hof heeft op basis van het bewijs en de berekeningen het voordeel vastgesteld op €31.000. Dit bedrag is gebaseerd op een kweekperiode van zes weken, 267 moederplanten, en het aantal stekken dat nog overbleef na inbeslagname, vermenigvuldigd met een verkoopprijs per stek, minus variabele kosten en afschrijvingen.

Verdachte heeft gesteld niets aan de kwekerij te hebben overgehouden maar is niet verschenen om dit nader toe te lichten. Het hof heeft daarom de schatting van het voordeel op basis van de BOOM-rapportage en overige gegevens vastgesteld. Vervolgens is de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat opgelegd.

Het arrest is gewezen door een meervoudige kamer en op 14 december 2015 uitgesproken. Een van de raadsheren kon het arrest niet medeondertekenen.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €31.000 en legt de verplichting tot betaling aan de Staat op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006706-15
Uitspraak d.d.: 14 december 2015
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 4 februari 2014 met parketnummer 05-701468-11 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1978] ,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens veroordeelde door zijn raadsman, mr. E. Yeniasci, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 394.148,95 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € datzelfde bedrag. De officier van justitie heeft ter terechtzitting het wederrechtelijk voordeel geschat op € 40.000.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 30.638,20 en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 14 december 2015 (parketnummer 21-000654-14) ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en ter zake van diefstal door middel van verbreking, veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Veroordeelde heeft enkel gesteld dat hij niets aan de kwekerij heeft overgehouden. Veroordeelde is niet ter terechtzitting verschenen om zijn standpunt nader toe te lichten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van (afgerond) € 31.000,00. Het hof komt als volgt tot deze schatting:
Evenals de politierechter gaat het hof uit van een kweekperiode van zes weken. In de berekening wordt voorts uitgegaan van de aangetroffen 267 moederplanten. Per moederplant wordt een aantal van 15 stekken aangehouden.
Het aantal stekken bedraagt 267 x 15 x 6 = 24.030.
Van dit aantal dienen de 12.150 inbeslaggenomen stekken te worden afgetrokken, zodat resteert: 24.030 - 12.150 = 11.880 stekken.
Uitgaande van de rapportage van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM) waarin een verkoopprijs van € 2,85 per stek wordt gehanteerd, bedraagt de opbrengst 11.880 x € 2,85 = € 33.858,00.
Op deze opbrengst dienen de variabele kosten in mindering te worden gebracht. Uitgaande van de in de BOOM-rapportage hiervoor gehanteerde bedragen bedragen die variabele kosten:
  • voor de moederplanten: 267 x € 4,40 = € 1.174,80
  • voor de stekken: 11.880 x € 0,10 =
€ 2.362,80
Aan afschrijvingskosten dient voorts een bedrag van € 200,00 in aanmerking te worden genomen.
Niet gebleken is dat veroordeelde aan Liander heeft betaald, zodat er geen elektriciteitskosten in mindering worden gebracht.
De totale kosten bedragen derhalve € 2.362,80 + € 200,00 = € 2.562,80.
Uitgaande van voorgaande bedragen wordt het wederrechtelijk genoten voordeel geschat op:
€ 33.858,00
€ 2.562,80-/-
€ 31.295,20
Het hof rondt dit bedrag in het voordeel van veroordeelde af op een bedrag van € 31.000,00.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Op grond van het bovenstaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag van € 31.000,00.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
31.000,00 (eenendertigduizend euro).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 31.000,00 (eenendertigduizend euro).
Aldus gewezen door
mr. R.H. Koning, voorzitter,
mr. J.I.M.W. Bartelds en mr. M.S. Groenhuijsen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van J.R.M. Roetgerink, griffier,
en op 14 december 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.S. Groenhuijsen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.