Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het proces verbaal van de comparitie gehouden op 5 juni 2014,
3.3. Feiten
4.De vorderingen in eerste aanleg en de beslissing daarop
5.De motivering van de beslissing in hoger beroep
[geïntimeerde] is op 30 september 1991 bij (de rechtsvoorgangster van) [appellant] in dienst getreden als drukwerkverkoper. [geïntimeerde] is na zijn indiensttreding ook leidinggevende taken gaan vervullen. Om zijn functie in overeenstemming te brengen met zijn feitelijke werkzaamheden hebben partijen een opvolgende arbeidsovereenkomst gesloten, waarin [geïntimeerde] per 2 januari 2009 is benoemd als vestigingsleider van de vestiging van [appellant] in Arnhem. In de overeenkomst is bepaald dat daarop alle bepalingen van de CAO voor administratief personeel in de Grafische Industrie (hierna te noemen: de Grafimedia cao) van toepassing zijn. In november 2010 heeft [appellant] vanwege een bedrijfsreorganisatie waarbij alle (zeven) functies en arbeidsplaatsen kwamen te vervallen behalve die van directeur, bij het UWV het ontslag aangevraagd van (onder anderen) [geïntimeerde] . De ontslagvergunning is verleend en [appellant] heeft de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] opgezegd per 25 maart 2011.
In de ontslagbrief van 30 december 2010 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geschreven:
“Wij zullen de Grafische Bedrijfsfondsen (GBF) verzoeken de RFR regeling (ontslagvergoeding) uit te voeren. Je krijgt daarover te zijner tijd rechtstreeks van het GBF bericht”. De RFR regeling genoemd in de ontslagbrief betreft de “reorganisatie-, fusie- en liquidatieregeling” die is opgenomen in de Grafimedia cao en die voorziet in een éénmalige vergoeding bij ontslag voor de werknemer, uit te keren door het ASF (Algemeen Sociaal Fonds). Het ASF heeft aan [geïntimeerde] echter geen RFR uitkering gedaan, omdat [geïntimeerde] bij haar nog steeds stond aangemeld als drukwerkverkoper - [appellant] had aan het ASF namelijk geen melding gemaakt van de opvolgende functie van [geïntimeerde] als vestigingsleider- en vertegenwoordigers in de buitendienst niet onder de Grafimedia cao vallen. De uitkering zou, indien die wel was toegekend, € 24.806,- hebben bedragen.
Tegen dat vonnis heeft [appellant] zes grieven gericht.
Niet als werknemer in de zin van deze cao worden aangemerkt:
Ten behoeve van dergelijke niet deelnemingsplichtige werknemers had [appellant] overeenkomsten gesloten met de Grafische Bedrijfsbonden, zodat die werknemers wel konden deelnemen aan verschillende fondsen van de cao (zoals blijkt uit een brief van het ASF aan de gemachtigde van [geïntimeerde] d.d. 10 februari 2012; productie 3 bij inleidende dagvaarding). Deelname aan het ASF-Garantiefonds, het fonds waaruit de RFR regeling wordt betaald, was echter alleen mogelijk voor verplichte deelnemers.
“leden van een managementteam, voor zover zij een salaris genieten dat uitgaat boven het aanvangssalaris in salarisgroep K vermeerderd met het aantal standaardverhogingen overeenkomstig het voor hen geldende aantal functiejaren”.
Dit team voerde volgens [appellant] de volgende taken uit:
- opstellen van begroting en realiseren daarvan;
Het overleg tussen de managementleden vond regelmatig plaats, afhankelijk van de noodzaak daartoe, en een paar keer per jaar was er een gezamenlijk overleg. Ieder lid had daarnaast eigen bevoegdheden, waarbij die van [geïntimeerde] lagen op het vlak van personeel, huisvesting en het totale produktieproces van [appellant] , aldus [appellant] .
“(…) Ruime ervaring en breed inzicht om de voorkomende problemen op te kunnen lossen is noodzakelijk. De contacten met Directie, Managementteam, Stafleden en andere echelons in de organisatie zijn gericht op beleidsmatige zaken en een slagvaardige bewerking van de markt. Leidinggeven aan een aantal medewerkers”(zie ook productie 6 bij inleidende dagvaarding).
Niet is gebleken dat [appellant] een dergelijke omvang had. Volgens haar had de [AB] Groep indertijd 20 medewerkers en [appellant] 12, ten tijde van de ontslagaanvraag voor beide vestigingen gereduceerd tot 19 personen.
Nu [appellant] derhalve ook deze stellingen onvoldoende heeft uitgewerkt, komt het hof ook op dit punt niet toe aan het opdragen van nadere bewijslevering aan [appellant] .
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 2.316,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten tarief III) en € 704,- voor griffierecht.