Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak ging het om de verdeling van de gemeenschap van goederen tussen partijen na hun echtscheiding. Het hof nam het tussenarrest van 30 juli 2013 over en hield op 12 november 2014 een comparitie van partijen. Partijen kwamen overeen dat drie percelen getaxeerd zouden worden door een door hen gezamenlijk aan te wijzen makelaar, waarbij de taxaties bindend zijn en de kosten gelijk worden verdeeld.
Verder werd vastgesteld dat een perceel eigendom was van een stichting en niet tot de gemeenschap behoorde, evenals de daarbij behorende hypothecaire schuld. Partijen spraken af welke schulden door appellant als eigen schuld zouden worden voldaan en welke schulden gezamenlijk zouden worden verdeeld, waarbij geïntimeerde voor de helft zou bijdragen.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 maart 2012 en besloot opnieuw over de vermogensbestanddelen waarover geïntimeerde een beslissing had gevraagd, voor zover partijen hierover niet reeds overeenstemming hadden bereikt. Het arrest bevat een gedetailleerde verdeling van onroerende zaken, schulden, pensioenrechten en bankrekeningen. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en bepaalt de verdeling van de gemeenschap van goederen conform de gemaakte afspraken en vastgestelde feiten.