Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep uitspraak gedaan over een zaak waarin verdachte werd verdacht van meerdere (pin)diefstallen en deelneming aan een criminele organisatie. De tenlastelegging omvatte onder meer diefstallen uit geldautomaten met gebruik van valse sleutels, een kluifstal en deelname aan een criminele organisatie.
Het bewijs tegen verdachte bestond vrijwel uitsluitend uit herkenningen door verbalisanten aan de hand van afdrukken van camerabeelden. Het hof stelde echter vast dat veel van deze afdrukken onscherp waren en dat persoonskenmerken, zoals een litteken op de neus, niet duidelijk zichtbaar waren. Ook was het gezicht vaak gedeeltelijk bedekt, wat herkenning bemoeilijkte. Hierdoor vond het hof de herkenningen onvoldoende betrouwbaar om tot een bewezenverklaring te komen.
Daarnaast ontbraken concrete aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte bij de vermeende criminele organisatie. De advocaat-generaal stelde wel dat deelneming bewezen kon worden, maar het hof oordeelde dat het dossier geen bewijs bevatte dat verdachte een aandeel had in of gedragingen verrichtte die de organisatie ondersteunden.
De vorderingen tot schadevergoeding van benadeelden werden afgewezen omdat verdachte niet schuldig werd bevonden aan de ten laste gelegde feiten. Het hof verklaarde verdachte en officier van justitie niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep betrekking had op een vrijspraak in eerste aanleg en vernietigde het vonnis voor zover het oordeel aan het hof was voorbehouden. Uiteindelijk sprak het hof verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.