Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat de ondertoezichtstelling van een minderjarige, [kind 1], centraal. De kinderrechter had de ondertoezichtstelling voor de periode van 22 mei 2015 tot 22 mei 2016 bevolen vanwege zorgen over de ontwikkeling van het kind, die voortvloeiden uit een onveilige thuissituatie en de gewelddadige relatie van de moeder met haar partner. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen en verzocht het hof de ondertoezichtstelling te vernietigen.
De moeder betoogde dat sinds het beëindigen van haar relatie met [D] de situatie verbeterd is, dat zij voldoende meewerkt aan vrijwillige hulpverlening en dat het kind zich positief ontwikkelt. Zij stelde dat de raad onvoldoende onderzoek had gedaan en dat de zorgen over het sociaal netwerk en de opvoedingssituatie niet meer aan de orde zijn. De raad voerde aan dat het kind getuige was geweest van conflicten en dat de moeder onvoldoende openheid gaf, waardoor een ondertoezichtstelling noodzakelijk bleef.
Het hof overwoog dat inmiddels voldoende zicht is verkregen op de situatie van het kind, waarbij ADHD en een disharmonisch intelligentieprofiel zijn vastgesteld. De moeder werkt mee aan de geadviseerde therapie en de vrijwillige hulpverlening verloopt goed. Er is geen sprake van ernstige problematiek die het functioneren van de moeder als opvoeder substantieel belemmert. Het hof concludeerde dat de noodzakelijke zorg niet wordt geweigerd en dat de moeder in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.
Daarom vernietigde het hof de beschikking van de kinderrechter en wees het verzoek tot ondertoezichtstelling af.
Uitkomst: Het hof vernietigt de ondertoezichtstelling en wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af.