Belanghebbende had voor het jaar 2010 specifieke zorgkosten opgevoerd in zijn aangifte inkomstenbelasting, waaronder cannabis die deels bij apotheken en deels bij coffeeshops was aangeschaft, en vervoerskosten voor een bestelbus die hij gebruikte om zijn scootmobiel te vervoeren. De Inspecteur corrigeerde de aftrekposten en de rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de kosten voor cannabis uit coffeeshops aftrekbaar moesten zijn vanwege medicinale noodzaak en dat de vervoerskosten als gevolg van zijn invaliditeit eveneens aftrekbaar waren. Het hof oordeelde dat de cannabis die bij coffeeshops werd gekocht niet op voorschrift van een arts was verkregen en dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor de daadwerkelijke uitgaven. Ook was de prijs die belanghebbende hanteerde onrealistisch hoog.
Ten aanzien van de vervoerskosten stelde het hof dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zijn vervoerskosten hoger waren dan die van vergelijkbare gezonde personen. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd het beroep tegen de heffingsrente ongegrond verklaard omdat geen onjuistheden waren gebleken.