Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Loonwerkbedrijf [appellant],
1.de vennootschap onder firma [geïntimeerde 1] ,
Loonbedrijf [geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de vraag centraal of een werknemer het non-concurrentiebeding uit zijn arbeidsovereenkomst met zijn voormalige werkgever had overtreden door in dienst te treden bij een concurrerend loonwerkbedrijf binnen een afstand van 25 kilometer. De werknemer was kraanmachinist en had een concurrentiebeding dat hem verbood binnen twee jaar na beëindiging van het dienstverband bij een soortgelijk bedrijf te werken binnen die afstand.
De kantonrechter had de vorderingen van de voormalige werkgever afgewezen omdat naar voorlopig oordeel het concurrentiebeding onbillijk was en waarschijnlijk door de bodemrechter vernietigd zou worden. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de werknemer slechts uitvoerende werkzaamheden verrichtte en niet in staat was klanten mee te nemen, waardoor het belang van handhaving onvoldoende was onderbouwd.
Voorts oordeelde het hof dat het handelen van de nieuwe werkgever niet onrechtmatig was, omdat deze niet op de hoogte was van het concurrentiebeding en er geen bijkomende omstandigheden waren die onrechtmatigheid aannemelijk maakten. De grieven van de appellant faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, waarbij appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen tot handhaving van het non-concurrentiebeding af.