Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
kantoorhoudend te Zwolle,
1.Het geding in eerste aanleg
Het geding in hoger beroep
[D] (gezinsvoogd) en mw. [E] (praktijkbegeleider).
3.De motivering van de beslissing
De overwegingen van het hof
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de kinderrechter die de machtiging tot uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen verlengde tot 30 maart 2016. De moeder betoogde dat haar thuissituatie inmiddels stabiel genoeg was om de kinderen zelf met begeleiding op te voeden.
Het hof stelde vast dat de kinderen jarenlang in een onveilige en onvoorspelbare omgeving hebben geleefd, waarbij de moeder vanwege haar fysieke en emotionele problematiek vaak onvoldoende beschikbaar was. De kinderen zijn tweemaal uit huis geplaatst vanwege deze omstandigheden. De moeder heeft noodzakelijke hulpverlening meerdere malen afgewezen en de samenwerking met hulpverleners verliep moeizaam.
De kinderen verblijven momenteel in een pleeggezin waar zij rust, structuur en veiligheid ervaren. Zij gaven aan niet bij de moeder te willen wonen vanwege de onprettige sfeer. Het hof oordeelde dat de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar situatie verbeterd is en dat terugkeer van de kinderen verantwoord is.
Het hoger beroep van de moeder faalt en het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter die de machtiging tot uithuisplaatsing verlengde.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen en wijst het hoger beroep van de moeder af.