Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante sub 2],
[geïntimeerde],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de vraag centraal of een betalingsachterstand van drie maanden huur rechtvaardigt dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. De kantonrechter had de vorderingen van de verhuurder toegewezen, maar het hof heeft dit oordeel herzien.
De huurders erkenden de betalingsachterstand, maar beriepen zich op de uitzondering in artikel 6:265 lid 1 BW Pro dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Zij voerden aan dat zij een bijstandsuitkering ontvangen, drie kleine kinderen hebben, en dat er sprake was van een misverstand over de betalingstermijn. Tevens was er een betalingsregeling getroffen die werd nagekomen en was er geen nieuwe achterstand ontstaan.
De verhuurder betwistte deze omstandigheden niet, maar hield vast aan de hoofdregel van artikel 6:265 lid 1 BW Pro. Het hof oordeelde dat de omstandigheden in onderling verband bezien niet rechtvaardigen dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. De vorderingen werden daarom afgewezen.
Het hof benadrukte dat de huurders zich bewust moeten zijn van hun verplichting om de huur voortaan tijdig te voldoen. De kosten van het hoger beroep werden aan de verhuurder opgelegd, terwijl de kosten van de eerste aanleg werden gecompenseerd.
Uitkomst: De vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden afgewezen omdat de tekortkomingen de ontbinding niet rechtvaardigen.