Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
31 augustus 2015
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
mr. [E] en mr. [F] .
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, een fiscale eenheid actief in tapijtproductie, betwistte dat de kartonnen cones waarop garens zijn gewikkeld als verpakkingen in de zin van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) moeten worden aangemerkt voor de verpakkingenbelasting. De Rechtbank Gelderland had geoordeeld dat de cones wel verpakkingen zijn, maar vernietigde de boetebeschikking. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Het Hof onderzocht of de cones als primaire of tertiaire verpakking kwalificeren volgens artikel 80 Wbm Pro en de Verpakkingenrichtlijn. Het hof concludeerde dat de cones een logisch onderdeel vormen van de verkoopeenheid (de garenklos) en het product aantrekkelijker maken, zodat zij als primaire verpakking gelden. De wijziging van de Verpakkingenrichtlijn uit 2013, die bepaalde dat rollen en kokers die bedoeld zijn als onderdelen van productieapparaten niet als verpakking gelden, werd niet van toepassing geacht omdat de cones niet als onderdeel van productieapparaten worden aangemerkt.
Verder oordeelde het Hof dat de ministeriële regeling die logistieke hulpmiddelen zoals kernen en spoelen met een lengte vanaf 50 cm vrijstelt van verpakkingenbelasting niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur. De ondergrens van 50 cm is redelijk gemotiveerd en gebaseerd op kenmerken zoals fysieke omvang en transportfunctie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.