Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2008 voor de tweede maal gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2012 gescheiden. Tijdens de comparitie van 19 juni 2014 bereikten zij overeenstemming over de verdeling van verschillende boedelbestanddelen, waaronder een bankrekening, een polis en een auto. De rechtbank bepaalde in juli 2014 de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, maar liet de betaling van de overbedelingssom uitstellen tot de verkoop van de voormalige echtelijke woning.
De man kwam in hoger beroep tegen het uitstel van betaling en het ontbreken van de vastgelegde afspraken in het dictum. Het hof oordeelde dat de afspraken uit de comparitie alsnog vastgelegd moeten worden om een executoriale titel te verkrijgen. De vrouw had de beschikking over de gezamenlijke spaarrekening en had bedragen opgenomen, maar het hof vond onvoldoende bewijs dat deze opnamen ten laste van het aandeel van de man moesten komen.
Het hof stelde vast dat de vrouw overbedeeld is met een bedrag van €25.702,85. Van dit bedrag moet zij €13.626,84 binnen veertien dagen betalen en het resterende bedrag van €12.076,01 bij de levering van de woning aan een derde. De verdeling van de overige boedelbestanddelen werd bevestigd en ieder draagt zijn eigen kosten in hoger beroep.
Uitkomst: De vrouw moet een overbedelingssom van €25.702,85 betalen, waarvan €13.626,84 binnen veertien dagen en de rest bij verkoop van de woning.