Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De vordering van appellante was gericht op vernietiging van het vonnis en toewijzing van haar vorderingen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten.
Appellante heeft echter het verschuldigde griffierecht van € 711,- niet of niet tijdig voldaan, ondanks dat zij conform het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr) de mogelijkheid kreeg zich uit te laten over de hardheidsclausule van art. 127a lid 3 Rv, maar hiervan geen gebruik maakte.
Op grond van art. 127a lid 2 Rv, in samenhang met art. 353 Rv Pro, ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie indien het griffierecht niet tijdig is betaald, tenzij toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is. Het hof constateert dat geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot toepassing van de hardheidsclausule kunnen leiden.
Daarom wordt geïntimeerde van de instantie ontslagen en appellante veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 447,- aan salaris advocaat en € 711,- aan verschotten. Het arrest is uitgesproken door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 4 augustus 2015.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt van de instantie ontslagen wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en appellante wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.