ECLI:NL:GHARL:2015:4241

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 mei 2015
Publicatiedatum
10 juni 2015
Zaaknummer
200.161.313/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen verlenging partneralimentatie na termijn van twaalf jaar wegens onvoldoende zelfstandigheid vrouw

De man en vrouw zijn in 1976 gehuwd en in 2002 gescheiden. De man is sindsdien verplicht tot het betalen van partneralimentatie, vastgesteld op €315 per maand. De alimentatieplicht eindigt volgens de wet na twaalf jaar, tenzij bijzondere omstandigheden verlenging rechtvaardigen.

De vrouw verzocht om verlenging van de alimentatieplicht tot haar AOW-leeftijd in 2017. Het hof constateerde dat dit verzoek tijdig was ingediend, maar oordeelde dat de vrouw onvoldoende had aangetoond dat zij binnen de twaalf jaar voldoende inspanningen had geleverd om financieel zelfstandig te worden. Daarbij speelde mee dat zij een aanzienlijk bedrag uit de huwelijksgemeenschap had ontvangen, maar dit niet had gereserveerd voor inkomensverlies.

Het hof liet de precieze omvang van haar inkomensachteruitgang en arbeidsongeschiktheid in het midden, maar vond dat het redelijk en billijk was om de alimentatieplicht niet te verlengen. Ook wees het hof op het feit dat de vrouw nog aanspraak kon maken op wettelijke indexering van de alimentatie en mogelijk de lening aan haar zoon kon terugvorderen.

Op grond van deze overwegingen vernietigde het hof de eerdere beschikking die verlenging toestond en wees het verzoek van de vrouw af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verlenging van de partneralimentatie af en bevestigt dat de alimentatieplicht na twaalf jaar eindigt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.161.313/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/104102/FA RK 17-746)
beschikking van de familiekamer van 26 mei 2015
inzake
[verzoeker],
wonende te [A],
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. K. Martens, kantoorhoudend te Assen,
tegen
[verweerster],
wonende te [B],
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W.J.P. Suringar, kantoorhoudend te Assen.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 september 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 16 december 2014;
- het verweerschrift, ingekomen op 23 januari 2015;
- een journaalbericht van 6 maart 2015 van mr. Martens, met bijlage;
- een journaalbericht van 11 maart 2015 van mr. Martens, met bijlage.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 23 maart 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De vaststaande feiten

3.1
De man is geboren [in] 1954 en de vrouw [in] 1952. Zij zijn [in] 1976 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.
3.2
Bij beschikking van 23 april 2002 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
Deze beschikking is op 19 juli 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.
De kinderen van partijen waren ten tijde van de echtscheiding reeds meerderjarig.
3.3
Bij beschikking van 25 juni 2002 van de rechtbank Assen is -conform hetgeen partijen zijn overeengekomen- bepaald dat de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 315,-- per maand. De man heeft steeds aan zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw voldaan. Deze bijdrage is nimmer verhoogd met de wettelijke indexering.

4.De omvang van het geschil

4.1
In geschil is het verzoek van de vrouw om de termijn gedurende welke de man verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten van haar levensonderhoud te verlengen van 19 juli 2014 tot 3 november 2017, op welke laatstgenoemde datum de vrouw de AOW-gerechtigde leeftijd zal hebben bereikt. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vrouw toegewezen
4.2
De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 17 september 2014. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW Pro eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dit betekent dat in dit geval de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege is geëindigd op 19 juli 2014.
5.2
Ingevolge artikel 1:157 lid Pro 5, eerste volzin, BW kan de rechter, indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn stellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken.
5.3
Het hof constateert dat het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieduur tot 3 november 2017 bij de rechtbank is ingekomen op 25 maart 2014 en daarmee binnen de in artikel 1:157 lid 5 BW Pro bedoelde termijn, zodat de vrouw in haar verzoek ontvankelijk is.
5.4
Het hof overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295, nr. 3 en 6) het uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na twaalf jaar definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze verantwoordelijkheid rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van twaalf jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien. In het geval dat wordt verzocht om verlenging dient de alimentatiegerechtigde aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis en de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 december 2008, LJN BF3928, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:
- in hoeverre de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan heeft wat redelijkerwijs verwacht mag worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen;
- de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk;
- de verwachting van partijen toen zij huwden en
- de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.
5.5
Dit betekent dat het hof dient te beoordelen of de vrouw bijzondere omstandigheden aan haar zijde heeft gesteld en voldoende aannemelijk heeft gemaakt, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.
5.6
Het hof acht de door de vrouw aangevoerde omstandigheden niet van dien aard, dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
5.7
Het hof laat in het midden wat de precieze omvang is van de inkomensachteruitgang van de vrouw nu de alimentatieverplichting van de man eindigt en ook of en in hoeverre de arbeidsongeschiktheid van de vrouw haar verhinderde of verhindert om geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud te voorzien. In hoger beroep is tussen partijen weliswaar discussie blijven bestaan over de hoogte van het bedrag dat de vrouw in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zou hebben ontvangen en is niet duidelijk geworden wat het exacte geldbedrag is geweest dat de vrouw indertijd heeft ontvangen. Niettemin staat tussen partijen vast dat de vrouw, naast een bedrag dat buiten de verdeling viel, in ieder geval een bedrag van € 71.498,84 heeft ontvangen.
5.8
Het hof is van oordeel dat de vrouw met de door haar overgelegde bescheiden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, alle relevante omstandigheden in aanmerking nemend, in de afgelopen twaalf jaren voldoende in het werk heeft gesteld om tot financiële zelfstandigheid te geraken. In het bijzonder heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom zij, in de wetenschap dat de partneralimentatie na twaalf jaar van rechtswege zou eindigen, van het hiervoor in 5.7 genoemde bedrag niets heeft gereserveerd waarmee het voorzienbare inkomensverlies geheel of gedeeltelijk zou kunnen worden gecompenseerd.
De enkele stelling van de vrouw dat haar vermogen volledig heeft opgesoupeerd, onder meer aan herinrichting (€ 30.000,--), advocaatkosten (€ 10.000,--), aflossing van kredieten, levensonderhoud en aan een lening aan de jongste zoon van partijen (€ 5.000,--), is daartoe zonder nadere onderbouwing onvoldoende. Ook indien van de juistheid van deze stelling wordt uitgegaan, moet tevens worden vastgesteld dat het redelijk noch billijk is de gevolgen van de door de vrouw gemaakte keuze het haar toekomende deel van het huwelijksvermogen aldus consumptief te besteden voor rekening van de man te laten komen.
5.9
Daarbij betrekt het hof dat de vrouw nog middelen heeft om de nadelige invloed van de inkomensachteruitgang te beperken, aangezien zij nog aanspraak kan maken -nu zij niet heeft gesteld dat zij daarvan afstand heeft gedaan- op de wettelijke indexering over de alimentatie, waarvan betaling tot op heden achterwege is gelaten. Verder heeft zij niet duidelijk gemaakt waarom zij de lening aan de zoon niet zou kunnen terugvorderen om haar inkomensachteruitgang op te vangen.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vrouw tot verlenging alsnog af te wijzen.

7.De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 september 2014;
wijst het verzoek van de vrouw tot verlenging van de verplichting tot levensonderhoud van de man jegens haar alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, J.B. de Groot en mr. W. Foppen , en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 mei 2015 in het bijzijn van de griffier.