Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten en de procedure in eerste aanleg
[de minderjarige1], geboren [in] 2000 te [B], en
[de minderjarige2], geboren [in] 2002 te [C];
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden en hebben twee minderjarige kinderen. Na het verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en het gezag aan de vrouw toegekend, met uitsluiting van omgang door de man. De man kwam in hoger beroep met verzoeken tot vernietiging van een convenant van 22 april 2014, wijziging van het gezag, omgang en alimentatie.
De man stelde dat hij onder dwang en in paniek het convenant had getekend, waardoor sprake zou zijn van misbruik van omstandigheden. Het hof oordeelde dat de man dit niet aannemelijk had gemaakt, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw en het ontbreken van bewijsaanbod. De man had bovendien zijn advocaat onvoorwaardelijk gemachtigd tot het tekenen van het convenant.
Het hof wees het verzoek van de man af om het gezag te wijzigen naar gezamenlijk gezag, omdat geen wijziging van omstandigheden was aangetoond. Ook het verzoek tot wijziging van de omgang werd afgewezen, mede omdat de kinderen zelf geen omgang wensen en het in hun belang is eerst rust te laten ontstaan. De man kon onvoldoende onderbouwen dat hij behoefte had aan partneralimentatie, zodat ook dat verzoek werd afgewezen. De rechtbankbeschikking werd bekrachtigd en partijen dragen ieder hun eigen kosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep van de man af.