Belanghebbende was in 2010 gehuwd en deed aangifte inkomstenbelasting waarbij hij ziektekosten aftrok, voornamelijk voor een CPAP-apparaat. De Inspecteur weigerde grotendeels deze aftrek te erkennen en kwalificeerde de ziektekosten als gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, waardoor een hogere drempel gold en de aftrek nihil werd vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. In hoger beroep stelde belanghebbende dat hij geen keuze had gemaakt voor het voljaarpartnerschap en dat de ziektekosten daarom niet als gemeenschappelijk inkomensbestanddeel moesten worden aangemerkt. Het hof onderzocht het aangifteprogramma en concludeerde dat belanghebbende wel had aangegeven het hele jaar gehuwd te zijn, maar niet expliciet had gekozen voor voljaarpartnerschap.
Het hof oordeelde dat de door het systeem gemaakte keuze voor voljaarpartnerschap niet als een keuze van belanghebbende kan worden beschouwd. Daardoor geldt de aftrek van ziektekosten niet als gemeenschappelijk inkomensbestanddeel en kan de aftrek worden toegepast zonder rekening te houden met het inkomen van de echtgenote. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, stelde het belastbaar inkomen vast op € 24.573 en veroordeelde de Inspecteur in de proceskosten.