ECLI:NL:GHARL:2015:3067

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 april 2015
Publicatiedatum
30 april 2015
Zaaknummer
21-007189-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14g SrArt. 14h SrArt. 14i SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling met letsel en oplegging gevangenisstraf

In deze zaak stond verdachte terecht voor mishandeling van een persoon waarbij deze met kracht een kopstoot en meerdere slagen toebracht, wat resulteerde in letsel en pijn bij het slachtoffer. Het hof achtte dit wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden. Tevens werd een schadevergoeding van €882,33 toegewezen aan het slachtoffer.

Daarnaast werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand gelast, omdat verdachte zich tijdens de proeftijd opnieuw schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit. Voor andere aan verdachte ten laste gelegde feiten, die niet aan hoger beroep onderworpen waren, bepaalde het hof een gevangenisstraf van negen jaar en tien maanden.

Het hof legde ook maatregelen op ter bevordering van schadevergoeding aan de benadeelden, waaronder de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De strafbepalingen hielden rekening met de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen en de omstandigheden waaronder de feiten waren gepleegd.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden na terechtzittingen op 25 februari en 15 april 2015. De verdediging had het hoger beroep beperkt tot één van de zaken, waarop het hof het vonnis vernietigde en in zoverre opnieuw recht deed.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf voor mishandeling en 9 jaar en 10 maanden voor andere feiten, met toewijzing van schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-007189-14
Uitspraak d.d.: 29 april 2015
TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 20 november 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-830088-14 en 18-139127-13, 18-830308-14, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-062030-13, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
ingeschreven te [adres] ,
thans verblijvende in P.I. [Naam P.I.]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 25 februari 2015 en 15 april 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot
  • veroordeling in de zaak met parketnummer 18-139127-13 tot een gevangenisstraf van twee maanden, toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging,
  • bepaling van de straf in de zaak met parketnummer 18-830088-14 feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair en de zaak met parketnummer 18-830308-14 primair tot een gevangenisstraf van 9 jaren en 10 maanden.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. J.B. Pieters, naar voren is gebracht.

De omvang van het hoger beroep

Het hof heeft bij tussenarrest d.d. 11 maart 2015 reeds vastgesteld dat de raadsvrouw het door de verdediging ingestelde hoger beroep heeft beperkt tot het in eerste aanleg in de gevoegde zaak met parketnummer 18-139127-13 ten laste gelegde. Aan die zaak is gekoppeld een vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-062030-13.
Ingevolge artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zal het hof een straf en maatregel bepalen voor het in de zaak met parketnummer 18-8300880-14 onder 1 subsidiair en 2 subsidiair en in de zaak met parketnummer 18-830308-14 primair bewezen verklaarde. De beslissing inzake de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] valt, anders dan de schadevergoedingsmaatregel, buiten het bepalen van de straf en is niet aan het oordeel van het hof onderworpen. De beslissing van de rechtbank met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij blijft derhalve in stand.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover onderworpen aan hoger beroep, tenlastegelegd dat:
zaak met parketnummer 18-139127-13 (gevoegd):
1:
hij op of omstreeks 28 juli 2013 te [pleegplaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 1] ), meermalen, althans eenmaal (met kracht) een kopstoot heeft gegeven en/of meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een (tot vuist gebalde) hand in/tegen het gezicht//hoofd en/of meer(dere) de(e)l(en) van het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-139127-13 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1:
hij op 28 juli 2013 te [pleegplaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 1] ), met kracht een kopstoot heeft gegeven en meermalen met kracht met een hand in/tegen het gezicht//hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 18-139127-13 bewezen verklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [benadeelde 1] . Als gevolg van deze mishandeling raakte zij enige tijd buiten bewustzijn. Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Het hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 3 februari 2015. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsdelict. Verdachte heeft onderhavig feit gepleegd, terwijl er, als gevolg van deze eerdere veroordeling, een proeftijd liep. Verdachte heeft zich door die proeftijd niet laten weerhouden van het plegen van het bewezen verklaarde feit.
Gelet op voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof een gevangenisstraf van twee maanden passend en geboden. Deze straf is conform de door de advocaat-generaal geëiste straf.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 882,33 (bestaande uit € 582,33 materie̎le en € 300,- immaterie̎le schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De vordering is door de verdediging inhoudelijk niet weersproken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 18-139127-13 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, parketnummer 18-062030-13. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Bepaling van straf en maatregel

De bij voormeld vonnis bewezenverklaarde feiten, in de zaak met parketnummer 18-8300880-14 feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair en het in de zaak met parketnummer 18-830308-14 primair, zijn niet aan het hoger beroep onderworpen.
Straf
Het hof zal de straf op de voet van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van deze feiten bepalen op een gevangenisstraf van negen jaren en tien maanden.
Maatregel
Om te bevorderen dat de schade van de benadeelde partij [benadeelde 2] door verdachte wordt vergoed, zal het hof bepalen dat de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 36f, 63, 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-139127-13 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-139127-13 bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 882,33 (achthonderdtweeëntachtig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 582,33 (vijfhonderdtweeëntachtig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-139127-13 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 882,33 (achthonderdtweeëntachtig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 582,33 (vijfhonderdtweeëntachtig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
17 (zeventien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, parketnummer 18-062030-13, te weten van:
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaling van de straf ingevolge artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de zaak met parketnummer 18-830088-14 onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair en in de zaak met parketnummer 18-830308-14 primair bewezenverklaarde:
Bepaalt de straf op een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) jaren en 10 (tien) maanden.
Bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt dat aan de verdachte is opgelegd de verplichting om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-830088-14 onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 5.224,64 (vijfduizend tweehonderdvierentwintig euro en vierenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
61 (eenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd is met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Aldus gewezen door
mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter,
mr. P. Koolschijn en mr. G.M. Meijer-Campfens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,
en op 29 april 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Koolschijn is buiten staat dit arrest te ondertekenen.