Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2015:3046

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2015
Publicatiedatum
29 april 2015
Zaaknummer
200.158.091-01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377g BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BWArt. 1:377e BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ambtshalve beslissing hoofdverblijf minderjarige

De zaak betreft een hoger beroep tegen een ambtshalve beslissing van de rechtbank Noord-Nederland inzake het hoofdverblijf van een toen negenjarige minderjarige. De kinderrechter had ambtshalve het verzoek van de minderjarige, die via een brief had aangegeven bij zijn vader te willen wonen, afgewezen. De vader ging in hoger beroep tegen deze beslissing.

Het hof stelt vast dat de minderjarige niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen, mede door zijn persoonlijke problematiek en loyaliteitsconflict binnen een jarenlange echtscheidingsstrijd tussen de ouders. De brief van de minderjarige is bovendien op aangeven van de vader geschreven. Het hof oordeelt dat het verzoek niet kan leiden tot een ambtshalve beslissing over het hoofdverblijf en vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank.

Het hof ziet geen noodzaak voor het benoemen van een bijzondere curator of het gelasten van een raadsonderzoek. De vader wordt geacht zelf zijn procesverantwoordelijkheid te nemen om het geschil op ouderniveau te laten beoordelen. De beschikking is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 21 april 2015.

Uitkomst: Het hof vernietigt de ambtshalve beslissing en bepaalt dat het verzoek van de minderjarige niet tot een ambtshalve beslissing over het hoofdverblijf kan leiden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.158.091/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, 105045)
beschikking van de familiekamer van 21 april 2015
inzake
[verzoeker],
wonende te [A],
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. C. Boussidi, kantoorhoudend te Zwolle,
tegen
[verweerster],
wonende te [A],
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.R.P. Ossentjuk, kantoorhoudend te Groningen.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 23 juli 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 oktober 2014;
- het verweerschrift, tevens incidenteel appel, ingekomen ter griffie van het hof op 23 december 2014;
- het verweerschrift in het incidenteel appel, ingekomen ter griffie van het hof op 6 februari 2015;
- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de raad) van 31 oktober 2014;
- een journaalbericht van 6 november 2014 van mr. Boussidi met bijlagen;
- een journaalbericht van 20 november 2014 van mr. Boussidi met bijlage.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 27 maart 2015 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is - in het kader van zijn adviserende taak - de heer [B] verschenen. De man heeft het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie.

3.De vaststaande feiten

3.1
Uit de relatie van de man en de vrouw is [in] 2004 [de minderjarige] geboren.
De man en de vrouw zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast. De nu tienjarige [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
3.2
[de minderjarige] heeft de kinderrechter een brief gestuurd waarin hij aangeeft dat hij graag bij zijn vader (de man) wil wonen. Deze brief, gedateerd 10 april 2014, is door de rechtbank ontvangen op 22 mei 2014.
3.3
De kinderrechter heeft de brief van [de minderjarige], gebruikmakend van zijn informele rechtsingang als bedoeld in 1:377g BW, aangemerkt als een verzoek tot wijziging van zijn hoofdverblijf en heeft besloten ambtshalve daarover een beslissing te nemen.
3.4
Na een gesprek met [de minderjarige] en de behandeling van zijn verzoek ter zitting heeft de kinderrechter op inhoudelijke gronden ambtshalve het verzoek van [de minderjarige] afgewezen.
3.5
De man is in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van [de minderjarige] in hoger beroep gekomen van deze beslissing.

4.De motivering van de beslissing

4.1
Het hof stelt voorop dat een minderjarige in beginsel in rechte wordt vertegenwoordigd door degene die met het gezag over de minderjarige is belast. Slechts in expliciet in de wet genoemde gevallen kan een minderjarige zich zonder tussenkomst van zijn wettelijke vertegenwoordiger rechtstreeks tot de rechter wenden. In deze is het verzoek van [de minderjarige] door de rechtbank aangemerkt als een verzoek dat door [de minderjarige] is ingediend met gebruikmaking van de mogelijkheid daartoe als bedoeld in artikel 1:377g BW (de informele rechtsingang).
4.2
In artikel 1:377g BW is bepaald dat de rechter, indien haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing kan geven op de voet van de artikelen 377a (omgangsregeling) of 377b (informatie en consultatie), dan wel een zodanige beslissing op de voet van artikel 377e (wijziging omgangsregeling) kan wijzigen. In dit artikel is ook bepaald dat hetzelfde geldt indien, zoals hier het geval, de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
4.3
Uit de inhoud van de brief van [de minderjarige] blijkt dat [de minderjarige] wenst dat zijn hoofdverblijf bij de man wordt bepaald. Dit komt neer op de wens tot wijziging van het hoofdverblijf zoals blijkens de stukken eerder bij beschikking is bepaald. Nu het een wijziging betreft van de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, dient het verzoek van [de minderjarige] te worden aangemerkt als een verzoek dat door [de minderjarige] is ingediend met gebruikmaking van de mogelijkheid daartoe als bedoeld in artikel 1: 253a, vierde lid BW, en niet zoals de rechtbank heeft overwogen als bedoeld in artikel 1:377g BW. Voor zover hier van belang verklaart artikel 1:253a, vierde lid BW artikel 1:377g BW van overeenkomstige toepassing.
4.4
Het hof is van oordeel is dat het verzoek van (de toen nog negenjarige) [de minderjarige] niet tot een ambtshalve beslissing over het hoofdverblijf kan leiden en overweegt daartoe als volgt.
4.5
Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat sprake is van een jarenlange echtscheidingsstrijd tussen de man en de vrouw, waarvan ook [de minderjarige] onderdeel uitmaakt. Er is sprake van een gebrek aan vertrouwen in elkaar als verzorgende ouder, welk gebrek aan vertrouwen eind 2013 ook nog heeft geleid tot een melding bij en onderzoek door Bureau Jeugdzorg. Vast is toen komen te staan, derhalve een paar maanden voor het verzoek van [de minderjarige], dat [de minderjarige] kampt met persoonlijke problematiek, waaronder een loyaliteitsconflict.
In zijn verslag heeft Bureau Jeugdzorg aangegeven dat het van belang is dat [de minderjarige] opgroeit in een situatie waar hij bij beide ouders thuis veilig en gelukkig is en waar hij buiten de strijd van de ouders wordt gehouden. De melding is door Bureau Jeugdzorg afgesloten waarbij met school en [C] (de voor ouders ingezette hulpverlening) is afgesproken dat [C] contact opneemt met Bureau Jeugdzorg als er wederom signalen van onveiligheid bij [de minderjarige] worden gesignaleerd. Niet is gebleken dat dergelijke signalen zijn binnengekomen. [de minderjarige] is ten gevolge van zijn problematiek aangewezen, na eerdere plaatsing bij een Medisch Kinderdag Verblijf, op speciaal onderwijs. Extra (langdurige) begeleiding op sociaal-emotioneel gebied is voor hem noodzakelijk geacht. Uit onderzoek van [C] in april 2013 is gebleken dat sprake is van een disharmonisch intelligentieprofiel waarbij zijn totale intelligentie tussen de 88 en 103 ligt. Aangegeven is dat [de minderjarige] vooral moeite heeft met het verbale begrip en in het bijzonder met de subtest Begrijpen. Vast is komen te staan dat [de minderjarige] de brief heeft geschreven op aangeven van de man.
4.6
Het hof is gelet op alle voornoemde omstandigheden van oordeel dat [de minderjarige] niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen in deze. Het hof acht dit zo evident, dat [de minderjarige] door het hof niet zelf in de gelegenheid is gesteld zijn mening ook aan of bij het hof kenbaar te maken. [de minderjarige] is door de rechtbank gehoord en wordt in hoger beroep vertegenwoordigd door de man. Het hof acht het (nogmaals) zelf horen van de kwetsbare [de minderjarige] om die redenen niet in zijn belang en onnodig belastend. Het hof ziet zich hierin gesteund door de Raad van de Kinderbescherming.
4.7
Het hof ziet ook geen aanleiding om, zoals door de man verzocht, een bijzondere curator voor [de minderjarige] te benoemen dan wel een raadsonderzoek te gelasten. Het is in deze
aan de man, die zoals ter zitting is gebleken achter een wijziging van het hoofdverblijf van [de minderjarige] staat, om desgewenst zelf zijn procesverantwoordelijkheid te nemen opdat de rechter dit geschil op ouder-niveau kan beoordelen.

5.De slotsom

5.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen dat het verzoek van [de minderjarige] niet tot een ambtshalve beslissing over het hoofdverblijf kan leiden.

6.De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 23 juli 2014;
bepaalt dat het verzoek van [de minderjarige] niet tot een ambtshalve beslissing over het hoofdverblijf kan leiden;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W. Foppen, mr. M.P. den Hollander en
mr. H. Lenters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2015 in bijzijn van de griffier.