Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde sub 1]
[geïntimeerde sub 2] ,
[geïntimeerde sub 3],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak vordert de legitimaris van de nalatenschap dat de erfgenamen stukken overhandigen die nodig zijn voor de berekening van zijn legitieme portie. Het betreft onder meer bankafschriften, belastingaanslagen en correspondentie met de Belastingdienst.
Het hof beoordeelt dat de beslissing op deze vordering geen voorlopige voorziening is, maar een incidentele vordering in de zin van artikel 208 en Pro 209 Rv. De legitimaris heeft in hoger beroep opnieuw gevorderd wat reeds door de rechtbank was afgewezen zonder tijdige grief, waardoor het hof deze nieuwe grief niet in behandeling neemt.
Verder oordeelt het hof dat de legitimaris geen belang heeft bij sommige gevorderde stukken, zoals de WOZ-waarde van de woning en bepaalde belastingaanslagen, omdat deze niet relevant zijn voor de berekening van zijn legitieme portie. Ook is het saldo van de betwiste bankrekening het enige resterende geschilpunt.
Het hof wijst de vorderingen in het incident af en bepaalt dat de kosten van het incident bij de einduitspraak in de hoofdzaak worden bepaald. De zaak wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een akte met een onderbouwde berekening van de legitieme massa en aanspraak van de legitimaris.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de legitimaris tot overhandiging van stukken af wegens het ontbreken van tijdige grief en onvoldoende belang.