Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2015:2500

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2015
Publicatiedatum
7 april 2015
Zaaknummer
WAHV 200.137.669
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 Besluit tarieven in strafzaken 2003Art. 26 WAHVArt. 26a WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen verzet tegen tenuitvoerlegging sanctie WAHV wegens onjuiste betalingskoppeling

De betrokkene stelde zich op het standpunt dat hij de sanctie tijdig had betaald en dat het CJIB de betaling onjuist had verwerkt door het bedrag toe te rekenen aan een andere zaak met een ander CJIB-nummer. Het hof stelde vast dat het CJIB een bedrag van €28,50 ontving met het kenmerk "Maasbree 08-11-2011", maar dit bedrag grotendeels toerekende aan een andere zaak, waardoor de sanctie op de onderhavige zaak onterecht werd verhoogd.

De advocaat-generaal voerde aan dat de betrokkene bewust een ander betalingskenmerk had vermeld en dat het CJIB conform de Executierichtlijn had gehandeld. Het hof oordeelde echter dat het CJIB op grond van vaste jurisprudentie verplicht is na te gaan waarop een ontvangen betaling betrekking heeft, ook als het betalingskenmerk ontbreekt of onjuist is. Dit onderzoek had in deze zaak moeten leiden tot toerekening aan de juiste zaak.

Het hof vernietigde daarom de beschikking van de kantonrechter, verklaarde het verzet gegrond en bepaalde dat het reeds betaalde bedrag en griffierechten aan de betrokkene worden gerestitueerd. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €7,40 voor reiskosten.

Het arrest werd gewezen door mr. Sekeris en uitgesproken ter openbare zitting op 7 april 2015.

Uitkomst: Het hof verklaart het verzet gegrond en vernietigt de beschikking van de kantonrechter wegens onjuiste koppeling van betaling door het CJIB.

Uitspraak

WAHV 200.137.669
7 april 2015
CJIB 157134907
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden
Beschikking
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant
van 2 oktober 2013
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie op 26 juli 2012 uitgevaardigde kennisgeving van verhaal ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de verhogingen van de sanctie en het verhaal op de bankrekening van de betrokkene ten onrechte hebben plaatsgevonden. De betrokkene voert hiertoe aan dat hij de sanctie tijdig heeft betaald. Als betalingskenmerk heeft de betrokkene "Maasbree 08-11-2011" vermeld. Naar de mening van de betrokkene heeft het CJIB bewust en met opzet het ontvangen bedrag anders geadministreerd door het bedrag af te boeken van de zaak van de betrokkene met CJIB-nummer 148381543. Hierdoor is de sanctie verder verhoogd en heeft verhaal plaatsgevonden.
2. Het hof stelt op basis van het dossier het volgende vast, voor zover van belang:
- Bij beschikking van 19 november 2011 is aan de betrokkene een sanctie opgelegd van
€ 23,-, exclusief € 6,- administratiekosten. De betrokkene diende de sanctie en de administratiekosten voor de vervaldatum van 14 januari 2012 te voldoen.
- Door het CJIB is van de betrokkene op 29 december 2011 een bedrag van € 28,50 en op
30 december 2011 een bedrag van € 0,50 ontvangen met als kenmerk "Maasbree 08-11-2011".
- Het CJIB heeft een bedrag van € 27,- bestemd op de openstaande zaak met CJIB-nummer 148381543, waarmee die zaak is betaald en afgedaan. Vervolgens is het resterende deel van het ontvangen bedrag van in totaal € 2,- bestemd in onderhavige zaak.
- Op 30 januari 2012 is bij eerste aanmaning de sanctie verhoogd met € 11,50.
- Op 2 februari 2012 is door het CJIB een brief van de betrokkene d.d. 30 januari 2012 ontvangen, waarin de betrokkene onder meer aangeeft dat hij de sanctie al heeft voldaan.
- Bij brief van 17 februari 2012 heeft het CJIB de betrokkene - zakelijk weergegeven - bericht dat hij bij zijn betaling geen juist betalingskenmerk heeft vermeld, terwijl dit duidelijk op de beschikking staat vermeld, en dat hem reeds bij eerdere klachtafhandelingen en correspondentie is medegedeeld dat hij het sanctiebedrag in één keer en onder vermelding van het juiste betalingskenmerk dient te voldoen. Om die reden ziet het CJIB geen aanleiding de eerste verhoging ongedaan te maken. Vervolgens wordt de betrokkene erop gewezen dat het resterende bedrag van de sanctie en het bedrag van de eerste verhoging uiterlijk
29 februari 2012 betaald dient te zijn. Mocht de betaling niet correct, tijdig en volledig zijn, dan is er sprake van een tweede verhoging.
- Op 17 maart 2012 is bij tweede aanmaning de sanctie verhoogd met € 34,50.
- De betrokkene reageert bij brief van 17 maart 2012 en schrijft het CJIB dat hij de sanctie tijdig heeft voldaan.
- Bij brief van 2 april 2012 heeft het CJIB op voornoemde brief van de betrokkene gereageerd, zakelijk weergegeven inhoudende dat hij bij de betaling geen juist betalingskenmerk heeft vermeld. Bij de klachtafhandeling en correspondentie in een andere zaak is de betrokkene vriendelijk verzocht om bij betalingen aan het CJIB het verschuldigde bedrag in één keer te betalen en het betreffende betalingskenmerk te betalen. Gelet op het standpunt van het CJIB in de brief van 17 februari 2012 ziet het CJIB geen aanleiding om de eerste en tweede verhoging ongedaan te maken. Vervolgens wordt de betrokkene erop gewezen dat hij voor 16 april 2012 het openstaande bedrag dient te betalen. Mocht de betaling niet correct, tijdig en volledig zijn, dan bestaat de mogelijkheid dat de officier van justitieverhaal neemt op de bankrekening van de betrokkene.
- Op 23 april ontvangt het CJIB een schrijven van de betrokkene d.d. 19 april 2012 waarin de betrokkene reageert op voornoemde brief.
- Bij brief van 16 mei 2012 heeft het CJIB op laatstgenoemde schrijven van de betrokkene gereageerd en heeft het CJIB de betrokkene medegedeeld dat zij de inning van de sanctie voortzetten.
- Door het CJIB is aan de betrokkene een kennisgeving van verhaal toegezonden, waaruit volgt dat door de officier van justitie aan de bank opdracht is gegeven het openstaande bedrag verhoogd met incassokosten van de bankrekening van de betrokkene af te schrijven.
3. De advocaat-generaal heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat de betrokkene, door willens en wetens een ander betalingskenmerk te vermelden het risico heeft genomen dat het CJIB zijn betaling niet op de zaak zou bestemmen. Dit terwijl de betrokkene eerder door het CJIB erop is geattendeerd dat bij betalingen het voorgeschreven betalingskenmerk dient te worden vermeld. Voorts merkt de advocaat-generaal op dat het CJIB het ontvangen bedrag conform de Executierichtlijn Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en Aanwijzing executie heeft bestemd op de oudere openstaande zaak van de betrokkene met CJIB-nummer 148381543. De advocaat-generaal is daarom van mening dat om die reden terecht is aangevangen met de executie.
4. Gelet op vaste jurisprudentie van het hof is voor de beantwoording van de vraag of in de onderhavige zaak tijdig is betaald bepalend of het bedrag binnen de gestelde betalingstermijn is ontvangen door het orgaan dat de betaling heeft verlangd. Indien - zoals in het onderhavige geval - niet aanstonds duidelijk is voor de betaling van welke sanctie het bedrag aan zekerheid is gesteld, dient door het CJIB te worden nagegaan waarop deze betrekking heeft, ook in de situatie dat een betrokkene bewust geen melding maakt van het voorgeschreven betalingskenmerk. Van een dergelijk onderzoek is niet gebleken. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat het CJIB de betaling door de betrokkene ten onrechte niet heeft gekoppeld aan onderhavige zaak. Aan de hand van het door de betrokkene vermelde kenmerk "Maasbree 08-11-2011" had het voor het CJIB duidelijk moeten zijn dat de betaling betrekking had op de onderhavige zaak en niet op de zaak met CJIB-nummer 148381543. Dat uit de Executierichtlijn Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en Aanwijzing executie niet (meer) blijkt van een verplichting voor het CJIB na te gaan waarop een ontvangen betaling betrekking heeft - zoals de advocaat-generaal stelt - geeft het hof geen aanleiding zijn vaste jurisprudentie te herzien.
5. Uit het voorgaande volgt dat het CJIB de betalingen door de betrokkene ten onrechte niet heeft gekoppeld aan onderhavige zaak, waardoor de sanctie ten onrechte is verhoogd en verhaal heeft plaatsgevonden. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.
6. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter
.Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Dit betreft een kennelijke omissie van de regelgever: bedoeld is onderdeel d. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 7,40 (Best - Eindhoven v.v.).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter;
verklaart het verzet gegrond;
bepaalt dat hetgeen uit hoofde van voormeld dwangbevel door de betrokkene is betaald aan de betrokkene wordt gerestitueerd, alsmede dat de door deze op de voet van artikel 26 en Pro 26a van de WAHV betaalde griffierechten door de griffier van de rechtbank aan hem worden gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 7,40.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.