Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
hierna: [appellant] en [appellante],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
4 december 2014 en het faxbericht met bijlagen van 10 december 2014 van mr. Keupink.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellanten zijn op eigen aangifte failliet verklaard door de rechtbank Overijssel. Vervolgens verzochten zij om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en gelijktijdige opheffing van het faillissement, maar dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen omdat zij niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij te goeder trouw waren ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden.
In hoger beroep hebben appellanten het hof verzocht het vonnis te vernietigen en alsnog toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te passen. Het hof heeft het verzoekschrift, de stukken van de curator en de toelichtingen van partijen in de mondelinge behandeling op 11 december 2014 bestudeerd.
Het hof oordeelt dat appellanten niet voldoende inzicht hebben gegeven in de aard, omvang, ontstaansdata en redenen van hun schulden. De crediteurenlijst bevatte geen onderliggende stukken en ontstaansdata, en appellanten konden ter zitting geen overtuigende toelichting geven. Hierdoor kon het hof niet vaststellen dat zij te goeder trouw waren in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
Het hoger beroep faalt en het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 21 oktober 2014 waarin het verzoek tot schuldsanering werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot schuldsanering afwijst wegens onvoldoende bewijs van te goeder trouw zijn.