Uitspraak
1.[appellant 1],
[appellant 1],
[appellant 2],
[appellanten],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak vordert de vruchtgebruiker, tevens directeur van een vennootschap, machtiging om een hypotheek te vestigen op onroerend goed dat deels in eigendom is van de geïntimeerde, die weigert toestemming te verlenen. De hypotheek is bedoeld als zekerheid voor een geldlening ten behoeve van de uitbreiding van het recreatiebedrijf van de vennootschap.
De voorzieningenrechter wees de vordering in eerste aanleg af omdat de hypothecaire lening niet noodzakelijk werd geacht voor het behoud van de gemeenschappelijke percelen. In hoger beroep stelt het hof vast dat de spoedeisendheid aanwezig is vanwege een subsidiemogelijkheid die vervalt als het project niet tijdig wordt afgerond.
Het hof overweegt dat de vruchtgebruiker niet zonder toestemming van de hoofdgerechtigde kan beschikken over het onroerend goed, maar dat artikel 3:212 lid 3 BW Pro een machtiging mogelijk maakt bij weigering. Na belangenafweging weegt het belang van de vruchtgebruiker, die het recreatiebedrijf wil uitbreiden en de lening wil veiligstellen, zwaarder dan het belang van de geïntimeerde, die het agrarisch bedrijf wil voortzetten en geen hypotheek wil.
Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en machtigt de vruchtgebruiker om de onroerende zaken te bezwaren met een hypotheekrecht ten behoeve van de Rabobank, mede ten laste van het eigendomsaandeel van de geïntimeerde. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familieverhouding.
Uitkomst: Het hof machtigt de vruchtgebruiker om het onroerend goed te bezwaren met een hypotheekrecht ondanks de weigering van de hoofdgerechtigde.