Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker,
1.Het geding
2.De vaststaande feiten
(…)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het geschil betreft een verzoek van de man om de partneralimentatie, vastgesteld bij beschikking van 29 augustus 2006, te verlagen of op nihil te stellen vanaf 1 januari 2014. De vrouw verzet zich hiertegen en verzoekt tevens dat de alimentatie bij vooruitbetaling wordt voldaan.
De man voert aan dat zijn belastbaar loon en dividendinkomsten zijn gedaald en dat hij niet langer in staat is het inkomen te verwerven waarop de alimentatie is gebaseerd. Hij wijst op de uitkeringstest en de pensioenverplichting van zijn vennootschap, waardoor dividenduitkering beperkt is. De vrouw betwist dit en stelt dat de man voldoende vermogen en liquide middelen heeft om aan zijn verplichtingen te voldoen.
Het hof stelt vast dat het loon van de man is gedaald, maar dat hij nog steeds huurinkomsten en dividend kan genereren. De pensioenverplichting leidt tot een verlaging van de reserves, maar de vennootschappen beschikken over voldoende liquide middelen om dividend uit te keren. Het hof oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat de man niet aan zijn onderhoudsverplichting kan voldoen en wijst zijn verzoek af.
Het hof wijst het verzoek van de vrouw toe om de alimentatie bij vooruitbetaling vóór de eerste van de maand te laten voldoen, voor duidelijkheid voor beide partijen. De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen gewezen echtgenoten zijn en het geschil de bijdrage in het levensonderhoud betreft.
Uitkomst: Het verzoek van de man tot verlaging van de partneralimentatie wordt afgewezen; de alimentatie dient voortaan bij vooruitbetaling vóór de eerste van de maand te worden voldaan.