Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant 1],
[appellant 1]en[appellant 2],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
De rechtbank heeft hierbij het volgende overwogen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellanten, gehuwd in gemeenschap van goederen en met een gezamenlijke netto-inkomen van €977 per maand, vroegen faillissement aan wegens een schuld van minimaal €69.476,04 bij 28 crediteuren. De rechtbank Midden-Nederland wees het verzoek af omdat er geen baten zijn waaruit de curator zijn kosten kan verhalen, waardoor het faillissement spoedig zou worden opgeheven.
Appellanten gingen in hoger beroep en stelden dat zij wel degelijk belang hadden bij het faillissementsverzoek, onder meer vanwege oplopende schuldeiserskosten, de mogelijkheid tot BTW-verrekening en de afwikkeling van de boedel en schulden. Het hof stelde vast dat appellanten voldoen aan de wettelijke vereisten voor faillietverklaring, maar geen misbruik van recht maken.
Het hof oordeelde echter dat het doel van de Faillissementswet, een eerlijke verdeling van baten onder schuldeisers, niet wordt gediend als er geen baten zijn. Schuldeisers kunnen ook nu al afschrijven op hun vorderingen, waardoor het faillissement geen toegevoegde waarde heeft. Het belang van de curator bij het vermijden van niet-verhaalbare kosten weegt mee, maar was niet het enige overwegingselement.
Daarom bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank en wees het faillissementsverzoek af wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang.
Uitkomst: Het faillissementsverzoek wordt afgewezen wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang.