Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen, met de Syrische nationaliteit, zijn gehuwd geweest en hebben twee kinderen die sinds 2005 in Syrië verblijven. De moeder verzocht de rechtbank om wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag in alleen gezag voor haar, maar de rechtbank verklaarde zich onbevoegd.
De moeder ging in hoger beroep en voerde aan dat de Nederlandse rechter wel bevoegd moest zijn, onder meer vanwege artikel 6 EVRM Pro en de verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer. Het hof oordeelde dat noch Brussel II-bis, noch het Haags Kinderbeschermingsverdrag van toepassing zijn en dat de bevoegdheid moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 5 Rv Pro.
Het hof stelde vast dat de kinderen al bijna negen jaar in Syrië wonen, alleen de Syrische nationaliteit bezitten, daar naar school gaan en bij familie van de vader verblijven. De moeder kon niet aantonen dat er sprake is van een uitzonderlijk geval dat de Nederlandse rechter bevoegdheid zou geven.
Ook het beroep op artikel 4 lid 3 Rv Pro faalde omdat het verzoek niet als nevenvoorziening bij de echtscheiding kan worden aangemerkt. Het hof concludeerde dat de onbevoegdverklaring niet leidt tot ontzegging van toegang tot de rechter in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
De bestreden beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de onbevoegdverklaring van de Nederlandse rechter wegens verblijf van de kinderen in Syrië.