Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- subsidiair te bepalen dat de uitspraak van uw Hof terzake van de toescheiding/toe-
3.Primairte bepalen dat de vrouw geen redelijke gebruikersvergoeding aan de man zal
4. Primair de man te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het ten deze te
5. De man te veroordelen over te gaan tot het verrekenen van het te verrekenen vermogen
6. De man te veroordelen om met ingang van 10 december 2010 (datum eindvonnis) aan
3.Wijzigingen van eis
4.De vaststaande feiten
- Een perceel grond gelegen te [plaats] met daarop staande schuur, kadastraal bekend gemeente [gemeente].
- Een rekening-courant [rekeningnummer] met een saldo van
- de onroerende zaak aan de [adres] – waarop de voormalig echtelijke woning van partijen is gebouwd – aan [appellant] toegedeeld en [appellant] veroordeeld om wegens overbedeling een bedrag van € 194.000,- aan [geïntimeerde] te voldoen.
- voor recht verklaard dat partijen recht hebben op verdeling bij helfte van hun tijdens huwelijk opgebouwde pensioenrechten als bedoeld in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, althans op verdeling daarvan conform die wet, en [geïntimeerde] veroordeeld daaraan mee te werken.
- [geïntimeerde] veroordeeld om als gebruiksvergoeding voor het gebruik van de voormalig echtelijke woning aan de [adres] aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 42.033,33, te vermeerderen met wettelijke rente over de periode van
- [geïntimeerde] veroordeeld om aan de griffier van de rechtbank een bedrag van € 416,50 te voldoen wegens de voorgeschoten kosten voor de deskundige.
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de kosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen.
5.De beoordeling
‘ter voldoening aan genoemde verplichting een bedrag groot ƒ 40.000,- met ingang van de oprichting ter beschikking van de vennootschap zal staan.”Uit welke bron dat bedrag afkomstig is, blijkt daar echter niet uit. Er zijn ook geen bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat [appellant] het bij de Friese Bondsspaarbank gestorte bedrag van ƒ 40.000,- heeft aangewend voor het volstorten van de aandelen van de op 14 juni 1988 opgerichte vennootschap.
6.De beslissing
dinsdag 11 november 2014voor akte aan de zijde van [appellant], ten einde hem in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag op welke wijze hij het in overweging 5.11 bedoelde tegenbewijs wenst te leveren.;