ECLI:NL:GHARL:2014:7055

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 september 2014
Publicatiedatum
12 september 2014
Zaaknummer
21-001158-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep bevestigt strafrechtelijke veroordeling en wijzigt schadevergoedingen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 20 februari 2014. Het hof bevestigde de bewezenverklaring en de strafrechtelijke kwalificatie van het vonnis, inclusief de opgelegde straf en maatregel, na het horen van deskundigen over de invloed van persoonlijkheidsstoornissen op het handelen van verdachte.

Het hof vernietigde echter de beslissingen omtrent de schadevergoedingen aan de benadeelde partijen en deed hierover opnieuw recht. Voor acht benadeelden werden schadevergoedingen toegewezen, waarbij het hof de bedragen in sommige gevallen verhoogde of verduidelijkte, zoals het toekennen van BTW over opruimkosten en het corrigeren van reiskosten. De schadevergoeding omvatte materiële en immateriële schade, met wettelijke rente vanaf 12 juli 2013.

De verdachte werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoedingen aan de benadeelden, met de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht opgelegd ter bevordering van de betaling. Bij niet-betaling kan de schadevergoeding worden vervangen door hechtenis, met een aantal dagen per bedrag vastgesteld. Tevens werd geregeld dat betaling aan de Staat of aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de ander opheft.

De uitspraak werd op 12 september 2014 gedaan door mr. T.M.L. Wolters, mr. G. Dam en mr. G.M. Meijer-Campfens, waarbij mr. Dam niet in staat was het arrest mede te ondertekenen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de strafrechtelijke veroordeling en wijst de schadevergoedingen toe met oplegging van de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001158-14
Uitspraak d.d.: 12 september 2014
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 20 februari 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-910038-13 en 08-910052-13, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 april 2014, 23 juli 2014 en 29 augustus 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Schwab, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich voor wat betreft de bewezenverklaring van het tenlastegelegde en de kwalificatie daarvan volledig vinden in het vonnis van de rechtbank.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep de deskundigen gehoord die hebben gerapporteerd omtrent de mate waarin verdachtes handelen ten tijde van de tenlastegelegde feiten werd beheerst door de bij hem geconstateerde persoonlijkheidsstoornissen. Hetgeen de deskundigen daarover ter terechtzitting van het hof hebben verklaard geeft het hof geen aanleiding af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf en maatregel.
Het hof zal daarom het vonnis waarvan beroep bevestigen met uitzondering van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen. Het vonnis zal op dat onderdeel worden vernietigd en het hof zal in zoverre opnieuw rechtdoen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 424,40. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 314,60. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 3 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 19.287,28. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.293,28. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 6 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het verschil van € 10.000 tussen het door de verzekering aan [benadeelde 2] uitgekeerde schadebedrag en de recentelijk getaxeerde waarde van de vernietigde woning alsmede de gederfde huurinkomsten van € 8.585,- voldoende zijn onderbouwd en dat bij gebreke van een gemotiveerde betwisting deze schade eenvoudig is vast te stellen. De overige posten zijn niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen tot het totale gevorderde bedrag.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.101,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.237,79. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 7 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2060,- immateriële schade en € 41,59 reiskosten, in totaal € 2.101,59. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering met de wettelijke rente zal worden toegewezen.
De gestelde schade van € 1000,- vanwege de uren dat verdachte, die in dienst is bij zijn eigen BV, niet heeft kunnen werken komt naar het oordeel van het hof ten laste van de BV en niet ten laste van verdachte persoonlijk. Verdachte zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, na matiging van de vordering ter zitting van de rechtbank in verband met een uitkering van de verzekering, € 9.242,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.060,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 8 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat ook de BTW over de opruimkosten voor vergoeding in aanmerking komt, nu deze kosten niet door de verzekering zijn vergoed en ten laste van [benadeelde 4] in privé komen. De overige posten zijn niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot een bedrag van € 8.742,50, te vermeerderen met de wettelijke rente, zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt, na uitbreiding van de vordering ter zitting van de rechtbank in verband met reiskosten ad € 75,60 voor de EMDR-therapie, € 2.138,29, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep is de vordering gematigd omdat de reiskosten voor de EMDR-therapie niet € 75,60 bedroegen, maar € 63,-. Derhalve bedraagt de vordering thans € 2125,69.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 8 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering met wettelijke rente zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 13.575,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.814,83. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.
Ter zitting heeft de gemachtigde namens de benadeelde aangegeven dat de schade verder is opgelopen, omdat de vervangende huurruimte langer moest worden betrokken. De wet biedt echter geen mogelijkheid om in hoger beroep de oorspronkelijke vordering uit te breiden, zodat het hof zich tot die oorspronkelijke vordering zal dienen te beperken.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 8 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal de gevorderde schadeposten met betrekking tot het huren en inrichten van vervangende bedrijfsruimte alsmede de post service toewijzen, met uitzondering van de BTW die de benadeelde als onderneming terug kan krijgen van de belastingdienst. De schade met betrekking tot de vorkheftruck en de veegmachine is thans in hoger beroep voldoende onderbouwd. De opgegeven reiskosten zijn niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden, zodat de vordering met aftrek van de opgevoerde BTW zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 12.735,78, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

De benadeelde partij [benadeelde 7] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 205,60. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-910052-13 onder 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

De benadeelde partij [benadeelde 8] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 183,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 83,90. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 08-910052-13 onder 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Anders dan de rechtbank zal de begrote waarde voor de diverse gereedschappen van € 150,= in zijn geheel worden toegekend, nu deze vordering niet dan wel onvoldoende is betwist en het hof het gevorderde bedrag als redelijk voorkomt. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
Vernietigt het vonnis van de rechtbank in zoverre en doet opnieuw recht:

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 3 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 314,60(driehonderdveertien euro en zestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van
€ 314,60(driehonderdveertien euro en zestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 6 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van €
19.287,28(negentienduizend tweehonderdzevenentachtig euro en achtentwintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van €
19.287,28(negentienduizend tweehonderdzevenentachtig euro en achtentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 131 (honderdeenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 7 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van €
2.101,59(tweeduizend honderdéén euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 2.060,00 (tweeduizend zestig euro) materiële schade en € 41,59 (eenenveertig euro en negenenvijftig cent) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering tot tot schadevergoeding.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3], een bedrag te betalen van €
2.101,59(tweeduizend honderdéén euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 2.060,00 (tweeduizend zestig euro) materiële schade en € 41,59 (eenenveertig euro en negenenvijftig cent) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 8 bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 8.742,50(achtduizend zevenhonderdtweeënveertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 6.682,50 (zesduizend zeshonderdtweeëntachtig euro en vijftig cent) materiële schade en € 2.060,00 (tweeduizend zestig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4], een bedrag te betalen van
€ 8.742,50(achtduizend zevenhonderdtweeënveertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 6.682,50 (zesduizend zeshonderdtweeëntachtig euro en vijftig cent) materiële schade en € 2.060,00 (tweeduizend zestig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 78 (achtenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 8 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.125,69 (tweeduizend honderdvijfentwintig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 65,69 (vijfenzestig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 2.060,00 (tweeduizend zestig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5], een bedrag te betalen van € 2.125,69 (tweeduizend honderdvijfentwintig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 65,69 (vijfenzestig euro en negenenzestig cent) materiële schade en € 2.060,00 (tweeduizend zestig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-910038-13 onder 8 bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 12.735,78(twaalfduizend zevenhonderdvijfendertig euro en achtenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6], een bedrag te betalen van
€ 12.735,78(twaalfduizend zevenhonderdvijfendertig euro en achtenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 98 (achtennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-910052-13 onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 205,60(tweehonderdvijf euro en zestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 7], een bedrag te betalen van
€ 205,60(tweehonderdvijf euro en zestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-910052-13 onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 183,90(honderddrieëntachtig euro en negentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 8], een bedrag te betalen van
€ 183,90(honderddrieëntachtig euro en negentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.
Aldus gewezen door
mr. T.M.L. Wolters, voorzitter,
mr. G. Dam en mr. G.M. Meijer-Campfens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. de Ruijter, griffier,
en op 12 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Dam is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.