ECLI:NL:GHARL:2014:610

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 januari 2014
Publicatiedatum
30 januari 2014
Zaaknummer
200.131.574-01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 lid 1 BWArt. 358 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging bewindstelling wegens onzorgvuldig financieel beheer door zoon

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 28 januari 2014 de beschikking van de kantonrechter Midden-Nederland bekrachtigd, waarbij een bewind is ingesteld over de goederen van een dementerende vrouw. De zoon van de vrouw, appellant, was tegen deze bewindstelling in hoger beroep gekomen en verzocht om vernietiging van de beschikking.

De zoon stelde dat hij altijd de financiële belangen van zijn moeder had behartigd, maar door ziekte tijdelijk niet in staat was dit te doen. De bewindvoerder betwistte dit en stelde dat de zoon failliet was verklaard, in schuldsanering zat en de rekening van zijn moeder voor privédoeleinden gebruikte. Tevens was het appartement van de moeder lang leeg en was er sprake van betalingsachterstanden.

Het hof oordeelde dat er voldoende gronden waren voor de bewindstelling vanwege de dementie van de moeder en de financiële situatie. Het hof wees erop dat de zoon door zijn faillissement en onzorgvuldig gebruik van de rekening niet geschikt was om de belangen van zijn moeder te behartigen. Daarom werd het hoger beroep van de zoon niet-ontvankelijk verklaard en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de onderbewindstelling en wijst het hoger beroep van de zoon af wegens ongeschiktheid en onzorgvuldig financieel beheer.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.131.574/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 655281 BM VERZ 13-487)
beschikking van de familiekamer van 28 januari 2014
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant in hoger beroep,
verder te noemen: [appellant],
advocaat: mr. M.J.H. Ruijters, kantoorhoudend te Almere,
tegen
De Officier van Justitie, regio Utrecht-Lelystad,
kantoorhoudende te Utrecht,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de officier van justitie.
Belanghebbenden:

1.[betrokkene],

wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de betrokkende;
2. [bewindvoerder],
kantoorhoudende te [woonplaats],
verder te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. M.J. Drost, kantoorhoudende te Leusden.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 2 mei 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 augustus 2013, is [appellant] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [appellant] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt:) het verzoek van de officier van justitie om de goederen van betrokkene onder bewind te stellen alsnog af te wijzen.
2.2
De officier van justitie heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.
2.3
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 31 oktober 2013, heeft de bewindvoerder het verzoek in hoger beroep van [appellant] bestreden en (naar het hof begrijpt:) primair verzocht het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.
2.4
Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:
- op 26 augustus 2013 een brief van 23 augustus 2013 van mr. Ruijters met bijlagen;
- op 14 november 2013 een brief van 12 november 2013 van de officier van justitie.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 6 januari 2014 plaatsgevonden. [appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Daarnaast is de bewindvoerder verschenen bijgestaan door haar advocaat. De partner van [appellant], [A], was eveneens ter zitting aanwezig.
2.6
De officier van justitie is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De officier van justitie heeft per brief van 12 november 2013 te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

3.De vaststaande feiten

3.1
Betrokkene is geboren [in 1926]. [appellant] is de zoon van betrokkene.
3.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Midden-Nederland op 27 maart 2013, heeft de officier van justitie verzocht de goederen van betrokkene onder bewind te stellen, met benoeming van de bewindvoerder tot bewindvoerder.
3.3
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan betrokkene en de bewindvoerder als bewindvoerder benoemd.

4.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.1
De bewindvoerder voert primair aan dat het appel te laat is ingesteld en het hoger beroep derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4.2
Ingevolge lid 2 van artikel 358 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een belanghebbende die niet in de procedure is verschenen binnen drie maanden nadat de beschikking hem bekend is geworden appel instellen.
Nu [appellant] niet in de procedure in eerste aanleg is betrokken en hij, naar hij onbetwist heeft gesteld, pas op 10 juli 2013 kennis nam van de onderbewindstelling van zijn moeder, liep de termijn waarbinnen hij appel kon instellen tot 10 oktober 2013. Het appel van [appellant] is op 9 augustus 2013 ingediend en derhalve tijdig.

5.De motivering van de beslissing

5.1
[appellant] stelt dat hij de (financiële) belangen van betrokkene altijd heeft waargenomen. In 2013 is [appellant] ernstig ziek geworden waardoor bezoek aan zijn moeder op regelmatige basis niet mogelijk was. In die periode zijn er betalingsachterstanden ontstaan. De zorginstelling waar betrokkene verblijft is volgens [appellant] in het bezit van zijn contactgegevens en heeft geen contact opgenomen op het moment dat er zorgen ontstonden over de betaling van rekeningen van de moeder. Hij werd dan ook verrast door de onderbewindstelling van betrokkene. Volgens [appellant] heeft hij altijd veel kosten voor betrokkene voor zijn rekening genomen en is hij in staat haar belangen weer waar te nemen. [appellant] stelt dan ook dat het aanstellen van een bewindvoerder niet nodig is.
5.2
De bewindvoerder stelt dat het niet in het belang van betrokkene is dat [appellant]
- gezien zijn persoonlijke omstandigheden - de vermogensrechtelijke belangen van zijn moeder weer gaat waarnemen. [appellant] is failliet verklaard en zit thans in de schuldsanering. De bewindvoerder stelt daarnaast dat [appellant] de belangen van betrokkene in het verleden niet behoorlijk heeft waargenomen. Zo staat het appartement van betrokkene sinds november 2008 leeg en is dit niet te koop of te huur aangeboden terwijl er een hypotheek van € 285.000,- op rust en kon de zorginstelling waar zijn moeder verblijft geruime tijd geen contact krijgen met [appellant]. Voorts is de bewindvoerder gebleken dat [appellant] de rekening van betrokkene gebruikte voor privédoeleinden.
5.3
Op grond van artikel 1:431 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.
5.4
[appellant] erkent dat er bij zijn moeder sprake is van dementie en dat zij zelf niet meer in staat is om haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Er zijn achterstanden in betalingen ontstaan en de schuldenlast van betrokkene bedraagt thans ruim € 21.000,-. Er zijn naar het oordeel van het hof dan ook voldoende gronden aanwezig om betrokkene onder bewind te stellen. [appellant] stelt echter dat het instellen van een bewind niet nodig is omdat hij de vermogensrechtelijke belangen van zijn moeder kan waarnemen.
5.5
[appellant] is in oktober 2012 failliet verklaard en zit thans in de wettelijke schuldsanering. Ter zitting is duidelijk geworden dat hij en zijn partner de rekening van betrokkene hebben gebruikt om gelden buiten het zicht van de curator te houden. De financiën van betrokkene en [appellant] en zijn partner zijn hierdoor door elkaar gaan lopen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] hiermee blijk gegeven op een oneigenlijke wijze gebruik te maken van de rekening van betrokkene en onzorgvuldig om te gaan met de rechtmatige belangen van derden, in casu de schuldeisers in zijn faillissement. Daarnaast heeft [appellant] de belangen van zijn moeder in het verleden niet voldoende waargenomen.
Uit de stukken blijkt dat [appellant] ruim een jaar niet (meer) bereikbaar was op het bij de zorginstelling bekende telefoonnummer en dat hij niet reageerde op brieven aan het bij hun bekende adres van [appellant]. De achterstanden in de betalingen van betrokkene liepen vervolgens op.
5.6
Hoewel het hof er begrip voor heeft dat het voor [appellant] in die periode, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, wellicht moeilijk was om de belangen van betrokkene waar te nemen had het op zijn weg gelegen om hiervoor vervanging te zoeken, bijvoorbeeld in de persoon van zijn partner. Met de bewindvoerder is het hof dan ook van oordeel dat het niet in het belang van betrokkene is te achten dat [appellant] haar financiële belangen weer gaat waarnemen. Het hof heeft er onvoldoende vertrouwen in, gelet op hetgeen hiervoor overwogen is, dat [appellant] dat naar behoren zou doen.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking
te bekrachtigen.

7.De beslissing

Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 2 mei 2013.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. Feunekes, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. D.J. Buijs en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 28 januari 2014 in bijzijn van de griffier.