Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2014:6038

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 juli 2014
Publicatiedatum
29 juli 2014
Zaaknummer
200.131.799
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep opzegging pachtovereenkomst op grond van artikel 39 Faillissementswet

In deze zaak is de Gemeente Mill en Sint Hubert in hoger beroep gekomen tegen de opzegging van een pachtovereenkomst met geïntimeerde, naar aanleiding van het faillissement van laatstgenoemde. De procedure in eerste aanleg werd gevoerd bij de pachtkamer van de rechtbank Oost-Brabant, waar reeds een vonnis was gewezen.

De Gemeente heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd en een exploot overgelegd waarin de pachtovereenkomst op grond van artikel 39 Faillissementswet Pro is opgezegd met ingang van 1 juli 2014. De geïntimeerde heeft hierop nog niet gereageerd, waarop het hof hem in de gelegenheid stelt alsnog te reageren, met name over de vraag of het gepachte inmiddels is opgeleverd.

De zaak wordt verwezen naar de rol voor 9 september 2014 om de reactie van geïntimeerde te ontvangen, waarna verdere beslissingen worden aangehouden. Het hof heeft het arrest in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2014.

Uitkomst: De zaak is verwezen naar de rol voor nadere reactie van geïntimeerde en verdere beslissing is aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.131.799
(zaaknummer rechtbank 862449)
arrest van de pachtkamer van 29 juli 2014
inzake
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Gemeente Mill en Sint Hubert,
zetelende te Mill,
appellante,
hierna: de Gemeente,
advocaat: mr. E.G.M. van den Heuvel,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.P.J.M. Rouwet.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 16 mei 2013, dat de pachtkamer van de rechtbank Oost-Brabant, sector kanton, locatie ’s-Hertogenbosch, tussen de Gemeente als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
■ de dagvaarding in hoger beroep van 17 juni 2013;
■ de memorie van grieven;
■ de memorie van antwoord;
■ de mededeling op de rol van 4 februari 2014 van het faillissement van [geïntimeerde];
■ het op de rol van 18 maart 2014 door de Gemeente overgelegde exploot van 25 februari 2014 waarbij [curator], curator in het faillissement van [geïntimeerde], is opgeroepen ter zitting van het hof;
■ de brief van [curator] van 17 maart 2014 waarbij deze aan het hof heeft laten weten de procedure niet als curator over te nemen;
■ de akte, tevens aktevermeerdering van eis na uitgesproken faillissement van de Gemeente.
2.2
Vervolgens heeft de Gemeente de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1
Bij akte heeft de Gemeente haar eis gewijzigd en bovendien een nieuwe productie in het geding gebracht, namelijk een exploot van 25 februari 2014 waarbij op grond van artikel 39 Faillissementswet Pro de pachtovereenkomst door de Gemeente is opgezegd tegen 1 juli 2014. Op deze akte heeft [geïntimeerde] nog niet gereageerd. Het hof zal hem in de gelegenheid stellen om dat alsnog te doen. Het hof draagt aan [geïntimeerde] op om in zijn reactie in ieder geval in te gaan op de vraag of hij het gepachte inmiddels aan de Gemeente heeft opgeleverd. Indien de Gemeente wat betreft het laatstbedoelde punt nog op de akte van [geïntimeerde] zal willen reageren, is zij in de gelegenheid dit bij antwoordakte te doen.
3.2
De slotsom is dat de zaak thans naar de rol zal worden verwezen voor akte aan de zijde van [geïntimeerde]. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de rol van 9 september 2014 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] voor het doel als onder 3.1 omschreven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, J.H. Lieber en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en mr. ing. H. Revoort, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2014.