Uitspraak
de man,
de vrouw,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep van appellant behandeld. Appellant had het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn van vier weken na indiening van het beroepschrift betaald. Hoewel het griffierecht uiteindelijk wel is voldaan, was dit te laat. Appellant voerde aan dat hij vanwege zijn financiële positie, waaronder een bijstandsuitkering en beslagleggingen, niet in staat was tijdig te betalen en beriep zich op artikel 6 EVRM Pro en artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de EU, die het recht op toegang tot de rechter waarborgen.
Het hof oordeelde dat het niet ontvangen van de nota voor het griffierecht geen geldige reden is voor te late betaling, aangezien de advocaat geacht wordt de betalingstermijn te kennen. Het beroep op een nog niet in werking getreden reparatiewet werd niet gehonoreerd. Verder concludeerde het hof dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat het griffierecht een wezenlijke belemmering voor toegang tot de rechter vormt, mede omdat niet is aangetoond dat bijzondere bijstand voor betaling is aangevraagd of geweigerd.
Daarom werd appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof achtte dit niet onbillijk gezien de omstandigheden en de geldende wettelijke bepalingen. De uitspraak werd gedaan door drie rechters tijdens een openbare zitting op 3 juli 2014.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens te late betaling van het griffierecht.