Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak verzocht appellant om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, nadat zijn eerdere regeling in 2006 tussentijds was beëindigd wegens niet-naleving van verplichtingen. Appellant voerde aan dat zijn eerdere niet-naleving te wijten was aan psychische stoornissen en dat zijn situatie inmiddels stabiel was met beschermingsbewind.
De rechtbank wees het verzoek af op grond van artikel 288, tweede lid, aanhef en onder d, Faillissementswet (Fw), vanwege de tienjaarstermijn na een eerdere schuldsaneringsregeling. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat het imperatieve karakter van deze afwijzingsgrond geen ruimte laat voor toepassing van de hardheidsclausule uit artikel 288, lid 3, Fw.
Het hof oordeelde dat de uitzonderingsgronden in artikel 288, tweede lid, aanhef en onder d, Fw niet van toepassing zijn omdat de eerdere regeling was beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder c, Fw, en niet op gronden die appellant niet waren toe te rekenen. De door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals psychische stoornissen en beschermingsbewind, konden geen andere beslissing rechtvaardigen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Overijssel en wees het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens de tienjaarstermijn.