Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
27 mei 2014
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Utrecht(hierna: de Inspecteur)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.De vaststaande feiten
€ 31.482,-. (…)
€ 13.436contant betaalde voor brandstof. (…)
€ 14.468,- (afgerond) contant hebben moeten uitgegeven. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat [Hof: belanghebbende] in de genoemde periode diverse betalingen per bank heeft gedaan. (…).
€ 20.000,- contant hebben betaald. (…)
€ 244.816,- van een andere dan legale bron van inkomsten afkomstig is. (…)
- -10.761+
- 20.000+
3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
4.Beoordeling van het geschil
23 december 2011 is. Niet is gesteld dat de bekendmaking van deze aanslagen na die datum heeft plaatsgevonden. De bezwaartermijn eindigde derhalve op 3 februari 2012. Nu uit de door belanghebbende aan het Hof toegezonden stukken van PostNL volgt dat de bezwaarschriften op 2 februari 2012 aangetekend zijn verzonden en uit het dagstempel volgt dat deze op 9 februari 2012 door de Inspecteur zijn ontvangen, zijn de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2006 en IB/PVV 2008 ontvankelijk.
5.Proceskosten
6.Beslissing
27 mei 2014in het openbaar uitgesproken.