Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant],
[appellante],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond centraal of de tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als huur of bruikleen. Appellanten woonden sinds maart 2013 in een pand dat zij van Camelot Beheer B.V. in bruikleen hadden gekregen. Camelot had de bruikleenovereenkomst rechtsgeldig opgezegd en vorderde ontruiming van het pand.
De voorzieningenrechter in eerste aanleg oordeelde dat er geen sprake was van huur, omdat geen tegenprestatie in de zin van artikel 7:201 BW Pro werd betaald, maar slechts een vergoeding voor gemaakte onkosten. Dit oordeel werd in hoger beroep bevestigd. Het hof overwoog dat de vergoeding van circa €385 per maand geen huur was, mede omdat de gebruikelijke lasten zoals gas, water en licht niet door appellanten werden betaald.
Appellanten voerden aan dat zij huurbescherming toekwam, maar het hof verwierp dit, omdat de overeenkomst terecht als bruikleen werd gekwalificeerd en er geen vertrouwen was gewekt dat sprake was van huur. Het spoedeisend belang van Camelot bij ontruiming werd erkend, mede vanwege de omvangrijke schade die zij leed door het uitblijven van ontruiming. Het belang van appellanten om met hun kinderen niet op straat te komen woog niet op tegen het belang van Camelot.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde appellanten tot ontruiming en betaling van proceskosten en nakosten, met wettelijke rente. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2014.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat er geen huurovereenkomst is en wijst de vordering tot ontruiming toe.