Belanghebbende, enig aandeelhouder van een vennootschap, had een geldlening bij de Rabobank afgesloten voor de vennootschap en was hoofdelijk aansprakelijk. Na betalingsachterstanden betaalde belanghebbende in 2007 een bedrag van €160.000 aan de Rabobank, waarvoor hij een regresvordering op de vennootschap verkreeg. Tevens maakte hij financieringskosten van €4.764 en had een rekeningcourantvordering van €28.106 op de vennootschap.
De Inspecteur stelde de aanslag inkomstenbelasting 2007 vast zonder verliesvaststellingsbeschikking en weigerde afwaardering van de regresvordering en financieringskosten ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank oordeelde deels in het voordeel van belanghebbende, maar het hof vernietigt dit oordeel.
Het hof stelt vast dat de lening zakelijk was bij het aangaan en dat de regresvordering geen onzakelijk karakter heeft. De betaling aan de Rabobank en de financieringskosten mogen ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden worden gebracht. De afwaardering van de rekeningcourantvordering wijst het hof af omdat vaststaat dat de vennootschap niet tot terugbetaling in staat was. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de aanslag en heffingsrente worden verminderd en de verliesvaststellingsbeschikking wordt vastgesteld op een verlies van €108.575.