Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
3.De motivering van de beslissing in hoger beroep na verwijzing
4.Slotsom
€ 6.237,26
€ 22.552,26
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of [appellante] B.V. gehouden was tot vrijwaring van ABN AMRO voor een bedrag van €220.000 dat ABN AMRO aan FCB had betaald wegens wanbetaling door een trustfonds, [naam stichting].
De feiten betroffen een complexe financieringsstructuur waarbij [appellante] garant stond voor een lening aan [naam stichting], die was overgegaan van ABN AMRO naar FCB. Na diverse procedures oordeelde de Hoge Raad dat er mogelijk een nadere overeenkomst tot vrijwaring bestond, die het hof nader moest onderzoeken.
Het hof stelde vast dat partijen de bestaande financieringsstructuur in stand wilden houden, waarbij ABN AMRO het beheer van de garantie behield en [appellante] indirect aansprakelijk bleef. Ondanks het ontbreken van een nieuwe schriftelijke vrijwaringsverklaring, was er sprake van een mondelinge overeenkomst en gerechtvaardigd vertrouwen.
De vordering van [appellante] tot terugbetaling van het bedrag van €220.000 werd afgewezen, evenals haar stellingen van onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en wanprestatie. Het hof bekrachtigde het eerdere vonnis en veroordeelde [appellante] in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van [appellante] tot terugbetaling van €220.000 wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.