Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1991 in Irak gehuwd en hebben beiden de Iraakse nationaliteit. De man heeft in 2012 bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend, waarop ook de vrouw een zelfstandig verzoek tot echtscheiding heeft ingediend. De rechtbank heeft Nederlands recht van toepassing verklaard en de echtscheiding uitgesproken.
De vrouw is tegen deze beslissing in hoger beroep gekomen en betoogt dat het Iraakse recht van toepassing zou moeten zijn, omdat beide partijen Iraakse nationaliteit bezitten en een maatschappelijke band met Irak hebben. Zij baseert zich op artikel 10:56 lid 2 BW Pro, dat afwijking van Nederlands recht toestaat bij gemeenschappelijke vreemde nationaliteit en maatschappelijke band.
Het hof oordeelt dat de vrouw ter zitting bij de rechtbank expliciet en onvoorwaardelijk heeft ingestemd met toepassing van Nederlands recht, waardoor terugkomen op deze instemming in hoger beroep niet toelaatbaar is. Bovendien heeft de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die een echtscheiding volgens Iraaks recht zouden rechtvaardigen. Het beroep op Iraaks recht faalt daarom en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.
De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt. De echtscheiding blijft uitgesproken onder toepassing van Nederlands recht.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de uitspraak dat Nederlands recht van toepassing is op de echtscheiding en wijst het beroep op Iraaks recht af.