In deze zaak is in hoger beroep de beslissing van de kantonrechter bevestigd die het beroep van betrokkene tegen een administratieve sanctie wegens een snelheidsovertreding ongegrond verklaarde. Betrokkene werd beboet voor het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 15 km/u. De betrokkene voerde aan dat niet duidelijk was wie de sanctie had opgelegd en dat het CJIB niet bevoegd was om de sanctie op te leggen.
Het hof heeft uitgebreid de relevante wettelijke bepalingen uit de Wegenverkeerswet en de WAHV besproken. Het oordeelde dat de aangewezen ambtenaar die de overtreding constateert bevoegd is de sanctie op te leggen en dat het CJIB slechts de beschikking verzendt. Een mandaat aan het CJIB is niet vereist omdat het CJIB geen besluit neemt, maar uitvoert. De eis dat de naam van de verbalisant in de beschikking moet worden vermeld, vindt geen steun in de wet.
Het hof concludeerde dat uit het dossier voldoende blijkt dat de sanctie is opgelegd door de aangewezen ambtenaar en dat de procedure correct is gevolgd. De verwijzing naar eerdere arresten en stukken zonder bijlagen werd niet als doorslaggevend gezien. Het hof bevestigde daarom het vonnis van de kantonrechter en wees het verzoek tot vergoeding van kosten af.