ECLI:NL:GHARL:2014:1106

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 februari 2014
Publicatiedatum
17 februari 2014
Zaaknummer
21-005916-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 7 Besluit alcoholonderzoekenArt. 9 Besluit alcoholonderzoekenArt. 163 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onrechtmatig alcoholonderzoek bij rijden onder invloed

Verdachte werd primair ten laste gelegd dat hij op 16 maart 2013 te Woudenberg had gereden met een ademalcoholgehalte van 825 microgram, hoger dan de wettelijke limiet. Subsidiair werd hem ten laste gelegd dat hij onder invloed van alcohol reed waardoor hij niet tot behoorlijk besturen in staat was.

Het hof oordeelde dat het vereiste onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a van de Wegenverkeerswet 1994 niet rechtsgeldig was uitgevoerd. Verdachte had vijf niet voltooide ademonderzoeken ondergaan, terwijl de regelgeving slechts één herhaling toestaat. Pas bij het zesde onderzoek werd een resultaat verkregen, wat niet conform de wettelijke voorschriften was.

Daarom kon het primair ten laste gelegde niet bewezen worden verklaard. Ook het subsidiair ten laste gelegde werd niet bewezen geacht omdat er geen aanwijzingen waren dat de rijvaardigheid van verdachte was verminderd.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van alle tenlasteleggingen. Deze uitspraak benadrukt het belang van strikte naleving van procedurele regels bij alcoholonderzoeken in het verkeer.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens het ontbreken van een rechtsgeldig alcoholonderzoek.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005916-13
Uitspraak d.d.: 14 februari 2014
TEGENSPRAAK
Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 juni 2013 met parketnummer 96-056635-13 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 januari 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr X.B. Sijmons, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat:
primair:
hij op of omstreeks 16 maart 2013 te Woudenberg als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 825 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
subsidiair:
hij op of omstreeks 16 maart 2013 te Woudenberg als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Naar het oordeel van het hof is er in deze zaak geen sprake geweest van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid onder a van de Wegenverkeerswet 1994. In het Besluit alcoholonderzoeken en de Regeling ademanalyse worden nadere regels gesteld ter zake het uitvoeren van een ademonderzoek. Artikel 8 van Pro het Besluit alcoholonderzoeken bepaalt dat op aanwijzing van de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 7 van Pro dat besluit, de verdachte, zo nodig vier maal, ononderbroken een zodanige hoeveelheid ademlucht in het ademanalyseapparaat blaast als voor het onderzoek nodig is. Ingevolge artikel 9 van Pro dat besluit kan toepassing van artikel 8 eenmaal Pro worden herhaald, indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, waarna, ingevolge artikel 163, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, aan de verdachte de medewerking aan een bloedproef dient te worden gevraagd. In de onderhavige zaak zijn er vijf niet voltooide ademonderzoeken. Pas bij het zesde ademonderzoek is er een ademonderzoekresultaat gegenereerd.
Nu er in de onderhavige zaak vaker is geblazen dan is toegestaan, heeft er geen onderzoek plaatsgevonden als bedoeld in artikel 8, tweede lid onder a van de Wegenverkeerswet 1994, en zal de verdachte worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Blijkens het “Proces-verbaal ter zake artikel 8 WVW Pro 1994” is bij een reguliere controle geconstateerd dat verdachtes adem naar alcohol rook en zijn ogen bloed doorlopen waren. Nu niets bijzonders is geconstateerd omtrent zijn wijze van besturen van de auto, noch omtrent zijn spraak of gang, kan ook het subsidiair tenlastegelegde niet bewezen worden en moet verdachte ook daarvan worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr H. Abbink, voorzitter,
mr J.D. den Hartog en mr J.P. Bordes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr E.C.M. Steeghs, griffier,
en op 14 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.