ECLI:NL:GHARL:2013:CA2810
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Betekenis bewijsvermoeden arbeidsovereenkomst en tegenbewijs in hoger beroep
In deze zaak stond centraal of tussen partijen sprake was van een arbeidsovereenkomst en de betekenis van het bewijsvermoeden van artikel 7:610a BW. In eerste aanleg had de kantonrechter geoordeeld dat er een arbeidsovereenkomst bestond en had een loonvordering deels toegewezen. De curator, als opvolger van de vordering, stelde in hoger beroep dat de kantonrechter ten onrechte geen toepassing had gegeven aan het bewijsvermoeden.
Het hof bevestigde dat het bewijsvermoeden van artikel 7:610a BW slechts een weerlegbaar vermoeden betreft en geen bewijslastomkering inhoudt. Dit betekent dat als er bewijs is geleverd, de werkgever niet het bewijs van het tegendeel hoeft te leveren, maar dat gewoon tegenbewijs mogelijk is. Het hof liet de partij die het bestaan van de arbeidsovereenkomst betwistte toe om tegenbewijs te leveren.
De zaak betreft een langdurige samenwerking tussen [X] en [B.V. Y], waarbij [X] een vergoeding ontving en pensioenopbouw had, maar waarbij ook discussie bestond over de feitelijke werkzaamheden en de aard van de relatie. Het hof stelde het verdere oordeel uit totdat het tegenbewijs was geleverd. Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het bewijsvermoeden in arbeidsrechtelijke geschillen.
Uitkomst: Het hof laat de partij toe tegenbewijs te leveren tegen het voorlopige oordeel dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en houdt verdere beslissing aan.